ECLI:NL:HR:1999:ZC2903
Rechtbank:Hoge Raad
Datum: 21-05-1999
Uitspraak naam: B/Wolters Kluwers
Overige onderwerpen: Toerekening krachtens de wet 1 Art. 6:76 BWHulppersonen: werknemers en zelfstandige hulpersonen (zzp’er ) Deze hulppersonen worden in het kader van de buitencontractuele aansprakelijkheid anders behandeld. Zie art. 6:170 BW (werknemers) en 6:171 BW (z
Rechtsgebiedenregister: Burgerlijk procesrecht, Vastgoedrecht
Vindplaats: Avdr.nl
Uitspraak:
21 mei 1999
Eerste Kamer
Nr. 16.739 (C97/218HR)
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, voorwaardelijk inciden teel verweerster, advocaat: mr M.J. Schenck,
tegen
WOLTERS KLUWER N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseres, advocaat: mr M.H. van der Woude.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: Wolters Kluwer - heeft bij exploit van 3 juli 1992 [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], alsmede eiseres tot cassatie en Computer Administratie Service (C.A.S.) B.V. - verder afzonderlijk te noemen: [betrokkene 1], [eiseres] en CAS B.V. - gedagvaard voor de Rechtbank te Zutphen. Na wijzigingen van eis heeft zij, voor zover in cassatie van belang, gevorderd [betrokkene 1], [eiseres] en CAS B.V. hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen om aan haar:
a. te betalen een bedrag van f 751.895,39 met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding;
b. te betalen een bedrag van f 74.599, -- met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 maart 1993;
c. te vergoeden alle verdere schade als gevolg van het in het lichaam van de dagvaarding omschreven frauduleuze handelen van [betrokkene 1] en/of [eiseres], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding.
[betrokkene 1] en [eiseres] hebben tegen deze vorderingen verweer gevoerd. [eiseres] heeft harerzijds een vordering in voorwaardelijke reconventie ingesteld, die in cassatie niet meer van belang is.
De zaak tegen CAS B.V. is tijdens de procedure in eerste aanleg geroyeerd.
Na een ingevolge tussenvonnis van de Rechtbank van 27 januari 1994 gehouden enquête en comparitie van partijen heeft Wolters Kluwer haar eis verminderd met een bedrag van f 65.296,23 en vermeerderd met een vordering tot verklaring voor recht dat Wolters Kluwer terecht, op goede gronden en krachtens geldige titel per saldo het bedrag van f 65.296,23 ten laste van [betrokkene 1] heeft geïncasseerd en in geen geval gehouden is dat bedrag of een gedeelte daarvan aan [betrokkene 1] en/of [eiseres] af te dragen. Daarna heeft Wolters Kluwer haar eis met f 5.500, -- verminderd.
Nadat de zaak was bepleit, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 30 maart 1995 in conventie de zaak naar de rol verwezen voor het geven van inlichtingen.
Bij eindvonnis van 7 september 1995 heeft de Rechtbank, voor zover in cassatie van belang, in conventie:
a. [betrokkene 1] en [eiseres] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeeld om aan Wolters Kluwer te betalen (a) f 679.165, 35, vermeerderd met de wettelijke rente over f 751.895,39 vanaf 3 juli 1992, telkens te verminderen met de door Wolters Kluwer geïncasseerde bedragen tot een totaalsom van f 72.730,04 vanaf de dagen waarop die bedragen telkens door Wolters Kluwer zijn ontvangen, (b) f 74.599, -- , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 maart 1993;
b. voor recht verklaard dat Wolters Kluwer terecht, op goede gronden en krachtens geldige titel per saldo een bedrag van f 67.230,04 ten laste van [betrokkene 1] heeft geïncasseerd en in geen geval gehouden is dat bedrag of een gedeelte daarvan aan [betrokkene 1] en/of [eiseres] af te dragen.
[eiseres] heeft tegen het eindvonnis hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Wolters Kluwer heeft bij memorie van antwoord onder meer geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, behoudens ten aanzien van een bedrag van f 137.178,51, waarmee zij haar vordering heeft verminderd.
Bij tussenarrest van 17 september 1996 heeft het Hof Wolters Kluwer in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de geïncasseerde bedragen, waarna Wolters Kluwer bij akte haar eis wederom heeft gewijzigd.
Het Hof heeft bij eindarrest van 8 april 1997, voor zover thans van belang, het vonnis van de Rechtbank te Zutphen vernietigd, voor zover [eiseres] daarin is veroordeeld tot betaling van f 679.165,35 en f 74.599, -- met wettelijke rente en voor zover de Rechtbank voor recht heeft verklaard dat Wolters Kluwer terecht, op goede gronden en krachtens geldige titel f 67.230,04 van [betrokkene 1] heeft geïncasseerd, en in zoverre opnieuw rechtdoende, [eiseres] veroordeeld, kort weergegeven, tot betaling van f 736.701,93, vermeerderd met de wettelijke rente over f 670.207,56 vanaf 3 juli 1992 en over f 66.494,37 (heffingsrente en accountantskosten) vanaf 4 maart 1993, een en ander verminderd met de door Wolters Kluwer inmiddels geïncasseerde bedragen van in totaal f 213.908,55.
Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
[eiseres] heeft tegen beide arresten van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Wolters Kluwer heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiseres] mede door mr E.C. Oosterbaan, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
( i) [eiseres] is op 16 februari 1990 met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1].
(ii) [betrokkene 1] is in maart 1989 via een uitzendbureau tewerkgesteld bij de rechtsvoorganger van Wolters Kluwer. Hij was belast met administratieve werkzaamheden op de crediteurenadministratie. Wolters Kluwer wenste dat [betrokkene 1] na verloop van de maximale uitzendperiode van zes maanden deze werkzaamheden zou voortzetten, maar omdat [betrokkene 1] en Wolters Kluwer om hen of een van hen moverende redenen niet rechtstreeks met elkaar wilden contracteren, is [betrokkene 1] dezelfde feitelijke werkzaamheden blijven verrichten door tussenkomst van [eiseres], handelende onder de naam CAS (Computer Administratie Service). Vanaf oktober 1989 werden de door [betrokkene 1] verrichte werkzaamheden wekelijks aan Wolters Kluwer gefactureerd ten name van CAS; Wolters Kluwer betaalde deze facturen aan CAS. CAS is ingebracht in de per 1 maart t 1991 opgerichte besloten vennootschap CAS B.V., waarvan [eiseres] enig directeur werd.
(iii) [betrokkene 1] heeft tussen maart 1989 en april 1992 geldbedragen ten nadele van Wolters Kluwer verduisterd tot een totaal bedrag van f 751.895,39, ter zake waarvan hij strafrechtelijk is veroordeeld. Het strafrechtelijk onderzoek tegen [eiseres] is geëindigd door een verklaring van de Rechtbank op de voet van art. 36 Sv.
(iv) Wolters Kluwer en [betrokkene 1] hebben op 8 juli 1992 een overeenkomst gesloten, strekkende tot overdracht van nader omschreven goederen. Deze overdracht strekte tot vergoeding van door Wolters Kluwer als gevolg van de frauduleuze handelwijze van [betrokkene 1] geleden schade.
3.2 In het onderhavige geding heeft Wolters Kluwer vorderingen ingesteld als hiervoor onder 1 weergegeven. Wat betreft de vordering tegen [eiseres] heeft zij in eerste instantie daaraan ten grondslag gelegd dat [betrokkene 1] de frauduleuze handelingen tezamen met [eiseres] had verricht of dat [eiseres] [betrokkene 1] daarbij behulpzaam was geweest, alsmede dat [eiseres] bewust heeft geprofiteerd van de opbrengst van de fraude. De Rechtbank heeft deze beide grondslagen ongenoegzaam geoordeeld.
Bij pleidooi in eerste aanleg heeft Wolters Kluwer evenwel betoogd dat zij heeft bedoeld haar vordering tegen [eiseres] ook op wanprestatie te doen steunen: [eiseres] heeft, handelende onder de naam CAS, een overeenkomst met Wolters Kluwer gesloten en de fraude, die is aan te merken als een tekortkoming in de uitvoering van de opdracht, is aan haar toe te rekenen, omdat zij aansprakelijk is voor het handelen van [betrokkene 1] als haar hulppersoon.
De Rechtbank heeft de vorderingen van Wolters Kluwer tegen [eiseres] op de laatstgenoemde grondslag toegewezen, zoals hiervoor onder 1 vermeld.
Het Hof heeft appelgrief V van [eiseres], waarin zij bestreed op deze grondslag aansprakelijk te zijn, ongegrond bevonden (rov. 6.5 - 6.9 van het tussenarrest van 17 september 1996). Hiertegen richt zich het middel in het principale beroep.
In het kader van zijn onderzoek van appelgrief IX van [eiseres] heeft het Hof geoordeeld dat door de akte van 8 juli 1992 door [betrokkene 1] geen vorderingen op [eiseres] aan Wolters Kluwer zijn overgedragen (rov. 6.19 - 6.21 van voormeld tussenarrest). Het middel in het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep bestrijdt dit oordeel.
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.1 Het Hof heeft zijn door het middel bestreden oordeel gegrond op de regel, neergelegd in art. 6:76 BW, welke regel ook deel uitmaakte van het vóór 1 januari 1992 geldende recht. Deze regel, inhoudende dat de debiteur op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is voor gedragingen van personen van wier hulp hij bij de uitvoering van de verbintenis gebruik maakt, berust op een aantal overwegingen, die als volgt kunnen worden weergegeven. Vooreerst is van belang dat de debiteur door het inschakelen van hulppersonen zijn bedrijfsactiviteiten uitbreidt en dus van die inschakeling profijt heeft, waartegenover dan dient te staan dat hij voor fouten van de hulppersonen aansprakelijk is. Deze aansprakelijkheid brengt ook mee dat de debiteur genoopt wordt tot een zorgvuldige keuze van de in te schakelen hulppersonen en tot een zodanige organisatie van hun werk dat de kans op fouten zo gering mogelijk wordt. Zou die aansprakelijkheid niet bestaan dan zou de crediteur in geval van fouten van een hulppersoon niet op zijn wederpartij, maar slechts op de hulppersoon verhaal kunnen zoeken, waarbij de crediteur zich, anders dan de debiteur in zijn verhouding tot de hulppersoon doorgaans wel kan, niet op een contract kan beroepen, terwijl, ingeval meer hulppersonen zijn ingeschakeld, het voor de crediteur onvoldoende duidelijk kan zijn wie van hen de fout heeft gemaakt.
4.2 Het Hof heeft in rov. 6.7 van zijn tussenarrest vooropgesteld dat de regel van art. 6:76 in beginsel meebrengt dat [eiseres] voor de handelingen van [betrokkene 1], omschreven in rov. 6.6, jegens Wolters Kluwer uit hoofde van wanprestatie aansprakelijk is. Vervolgens heeft het Hof in rov. 6.8 en 6.9 overwogen, kort samengevat, dat de door [eiseres] omtrent de achtergrond van de overeenkomst gestelde omstandigheden geen aanleiding vormen om in dit geval art. 6:76 buiten toepassing te laten op grond van de redelijkheid en billijkheid, waarop, naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen, [eiseres] zich beriep.
Die door [eiseres] gestelde omstandigheden waren de volgende (rov. 6.8) : de overeenkomst hield in feite in dat Wolters Kluwer de werkzaamheden slechts verricht wilde zien door [betrokkene 1]; Wolters Kluwer was de overeenkomst alleen daarom met [eiseres] aangegaan omdat [betrokkene 1] en Wolters Kluwer om hen of een van hen moverende redenen niet rechtstreeks met elkaar wilden contracteren; [eiseres] had met de uitvoering van de overeenkomst geen enkele bemoeienis gehad.
In rov. 6.9 heeft het Hof voorts de volgende door de Rechtbank vastgestelde omstandigheden weergegeven: dat [eiseres] het drijven van de onderneming CAS geheel aan [betrokkene 1] overliet en niet slechts waar het deze overeenkomst betrof, dat zij geen zicht had op het rekeningverloop van CAS B.V., en dat zij behalve een kasopname geen handelingen voor CAS heeft verricht. Onder deze omstandigheden, aldus het Hof, "gaat het niet aan om, nu zij er dus mee heeft ingestemd dat [betrokkene 1] buiten haar om maar met gebruikmaking van haar naam zaken deed, zich met een beroep op de redelijkheid en billijkheid aan de daaraan verbonden risico's te onttrekken".
Aldus heeft het Hof onvoldoende rekening gehouden met de aan de regel van art. 6:76 ten grondslag liggende, hiervoor in 4.1 weergegeven ratio. De door [eiseres] omtrent de achtergrond van de overeenkomst met Wolters Kluwer gestelde omstandigheden, meer in het bijzonder de omstandigheden dat Wolters Kluwer de werkzaamheden slechts door [betrokkene 1] uitgevoerd wilde zien en dat Wolters Kluwer en [betrokkene 1] om hen of één hunner moverende redenen niet rechtstreeks wilden contracteren, kunnen grond opleveren voor de slotsom dat toepassing van de regel van art. 6:76 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Mocht het Hof van het tegendeel zijn uitgegaan, dan heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof wel heeft aangenomen dat de bedoelde omstandigheden die slotsom zouden kunnen wettigen, dan heeft het zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd door niet aan te geven welke omstandigheden in het onderhavige geval aan die slotsom in de weg stonden.
De hierop gerichte klachten, vervat in de onderdelen 2 en 3, zijn derhalve gegrond.
4.3 In haar toelichting op appelgrief V heeft [eiseres] betoogd dat [betrokkene 1] de werkzaamheden, bij de uitvoering waarvan hij de malversaties pleegde, verrichtte in opdracht van en onder toezicht van bij Wolters Kluwer werkzame personen, en dat niet CAS, maar deze personen aansprakelijk zijn voor schade bij Wolters Kluwer door het veronachtzamen van hun toezichthoudende en controlerende taken. Dit betoog kan niet anders worden verstaan dan dat een beroep werd gedaan op de regel die thans is neergelegd in art. 6:101 - welk artikel eveneens overeenkomt met het vóór 1992 geldende recht - en dat werd aangevoerd dat, nu de schade mede een gevolg was van omstandigheden die aan Wolters Kluwer kunnen worden toegerekend, de schadevergoedingsplicht van [eiseres] geheel of ten dele was vervallen. Door niet op deze voor de beoordeling van grief V essentiële stelling in te gaan, heeft het Hof zijn arrest onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 7 treft derhalve eveneens doel.
4.4 Uit het vorenoverwogene volgt dat het tussenarrest van het Hof van 17 september 1996 moet worden vernietigd, en dat de overige onderdelen van het middel geen behandeling behoeven. De vernietiging van het tussenarrest brengt mee dat ook het daarop voortbouwende arrest van 8 april 1997 niet in stand kan blijven.
5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.1 Het Hof heeft appelgrief IX van [eiseres], inhoudende dat de Rechtbank ten onrechte [eiseres] en [betrokkene 1] hoofdelijk heeft veroordeeld aan Wolters Kluwer f 679.165, 35 te betalen, in zoverre gegrond geoordeeld dat, indien wanprestatie de enige grond voor aansprakelijkheid van [eiseres] zou zijn, de vordering van Wolters Kluwer slechts toewijsbaar is voor zover zij betrekking heeft op de periode waarin [betrokkene 1] als hulppersoon voor CAS werkzaam was. Om te beoordelen of de Rechtbank [eiseres] ten onrechte tot betaling van het volledige bedrag heeft veroordeeld, heeft het Hof evenwel vervolgens nagegaan of enige andere door Wolters Kluwer aangevoerde grondslag tot toewijzing van haar vordering kan leiden (rov. 6.14 - 6.15 van het tussenarrest van 17 september 1996). Te dien einde heeft het Hof onder meer onderzocht of toewijzing dient plaats te vinden op grond van de in de akte van 8 juli 1992 bedoelde overdracht (rov. 6.19 - 6.21) .
Het Hof heeft vastgesteld dat die akte, voor zover van belang, vermeldt dat [betrokkene 1] daarbij aan Wolters Kluwer heeft overgedragen alle gelden, geldswaarden en/of goederen, die [eiseres] ten behoeve van [betrokkene 1] onder zich heeft of nog zal krijgen, respectievelijk aan hem schuldig is of nog zal worden. Het heeft de stelling van Wolters Kluwer verworpen, dat een aantal door haar nader aangeduide vorderingen van [betrokkene 1] op [eiseres] aan haar zijn overgedragen. Daartoe heeft het Hof in rov. 6.21 overwogen dat vereist is een akte waarin de over te dragen vorderingen met voldoende bepaaldheid zijn omschreven, maar dat in de akte van 8 juli 1992 geen vorderingen op [eiseres] zijn omschreven, zodat door die akte ook geen vorderingen op haar aan Wolters Kluwer zijn overgedragen.
5.2 De in rov. 6.21 besloten vaststelling van het Hof dat [eiseres] zich erop heeft beroepen dat geen vorderingen op haar aan Wolters Kluwer zijn overgedragen, berust op een aan het Hof voorbehouden uitleg van de stellingen van [eiseres], die niet onbegrijpelijk is. In zoverre is onderdeel 1 tevergeefs voorgesteld.
Anders dan het onderdeel voorts aanvoert, staat de door het Hof aan de stellingen van [eiseres] gegeven uitleg dat de overdracht (in haar geheel) nietig is wegens misbruik van omstandigheden - welk betoog het Hof in rov. 6.13 van zijn tussenarrest heeft verworpen - niet in de weg aan zijn oordeel dat [eiseres] óók heeft aangevoerd dat door die overdracht in elk geval geen vorderingen zijn overgedragen. Ook in zoverre faalt het onderdeel derhalve.
5.3 Onderdeel 2 richt zich met een rechts- en een motiveringsklacht tegen het oordeel van het Hof dat de omschrijving van de over te dragen vorderingen onvoldoende bepaald is. Het onderdeel faalt. 's Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige niet op juistheid worden getoetst, nu het in overwegende mate berust op een aan het Hof voorbehouden uitleg van de akte, die niet onbegrijpelijk is. Tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
In het principale beroep:
vernietigt de arresten van het Gerechtshof te Arnhem van 17 september 1996 en 8 april 1997;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Wolters Kluwer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op f 12.425,96 in totaal, waarvan f 12.235,96 op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en f 190, -- te voldoen aan [eiseres].
In het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Wolters Kluwer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op f 3.150, -- , op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Neleman, Herrmann, Van der Putt-Lauwers en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 21 mei 1999.
Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,