Kraggenburg-zaak. 1. Onpartijdige rechter i.d.z.v. art. 6 EVRM. 2. Vaststelling ziekelijke stoornis. 3. Oorzakelijk verband gepleegde feiten en ziekelijke stoornis. Ad 1. In ’s Hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat het enkele feit dat de Rb zich in een tussenvonnis expliciet over de bewezenverklaring heeft uitgelaten, nog niet met zich meebrengt dat t.a.v. vervolgzittingen waarop uitsluitend de oplegging van een straf en/of maatregel aan de orde was, de vrees van vooringenomenheid bij de Rb objectief gerechtvaardigd was. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. ’s Hofs overwegingen houden voorts in dat o.g.v. de p-v’s van de terechtzittingen in 1e aanleg na het tussenvonnis niet aannemelijk is geworden dat i.c. de rechters in 1e aanleg op enigerlei wijze blijk hebben gegeven van vooringenomenheid dan wel partijdigheid. Aldus heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat in dit geval geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de Rb jegens verdachte een vooringenomenheid koesterde en evenmin voor het oordeel dat een dienaangaande bij verdachte bestaande vrees objectief gerechtvaardigd was. Ad 2. Het Hof heeft zich bij de vaststelling dat sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens onder meer gebaseerd op de verklaring van de deskundige X, die ttz. in h.b. heeft aangegeven dat hij t.a.v. het bestaan van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in zijn rapportage een hele kleine slag om de arm heeft gehouden, maar dat hij in dat verband heeft gedoeld op een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Het stond het Hof vrij het oordeel van de rapporteur, door de steller van het middel aangeduid als waarschijnlijkheidsoordeel, mede aan de vaststelling dat sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten grondslag te leggen. De opvatting dat in dit verband waarschijnlijkheidsoordelen geen rol mogen spelen, vindt geen steun in het recht. Ad 3. Ingevolge art. 37a.1 Sr kan de verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op last van de rechter ter beschikking worden gesteld. Dit artikel eist, anders dan bij de vraag of het feit de verdachte kan worden toegerekend, niet meer dan een verband bestaande uit gelijktijdigheid. De opvatting dat de rechter bij het geven van een last dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld, in zijn vonnis vaststelt dat de bewezenverklaarde feiten het gevolg zijn van de geestesgesteldheid van verdachte, vindt geen steun in het recht.

AvdR-TV (1)

Spreker(s)

mr.-Job-Knoester-doek-01.jpeg
mr. Job Knoester

advocaat Knoester Van der Hut & Alberts Advocaten

Bekijk profiel