Rechtbank Amsterdam 4 mei 2026 Rechtbank Den Haag 30 april 2026 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 april 2026 Rechtbank Den Haag 29 april 2026 Gerechtshof Den Haag 21 april 2026 Bekijk alles
ECLI:NL:HR:2021:101 Hoge Raad 22 januari 2021

ECLI:NL:HR:2021:101

Rechtbank:Hoge Raad

Datum: 22-01-2021

Onderwerp: Proeftijdbeding

Overige onderwerpen: Individueel arbeidsrecht

Rechtsgebiedenregister: Arbeidsrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

Art. 81 lid 1 RO. Arbeidsrecht. Gerechtvaardigd vertrouwen van werknemer dat arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen voor bepaalde tijd van een jaar dan wel voor onbepaalde tijd?


Uitspraak:

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01340

Datum 22 januari 2021

BESCHIKKING

In de zaak van

[verzoeker] ,wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: [verzoeker] ,
advocaat: M.J. van Basten Batenburg,

tegen

STICHTING [verweerster],gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
advocaat: A.H.M. van den Steenhoven.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

de beschikking in de zaak 7546593 HA VERZ 19-20 van de kantonrechter te Dordrecht van 17 mei 2019;

de beschikking in de zaak 200.264.431/01 van het gerechtshof Den Haag van 14 januari 2020.

[verzoeker] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoeker] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Beslissing
De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 2.827,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 22 januari 2021.