Hoge Raad 22 maart 2011

ECLI:NL:HR:2011:BO4471

Datum: 22-03-2011

Onderwerp(en): Overzicht uitspraken: Medeplichtigheid

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Medeplichtigheid. Bewijs opzet. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BA7932 m.b.t. het toetsingskader betreffende de aansprakelijkheid van een medeplichtige. Uitleg van de termen “door de dader verrichte handelingen” en “een deel daarvan” uit het toetsingskader. De term “handelingen” (van de dader) is ontleend o.m. aan art. 49.4 Sr. Het gaat bij de “handelingen” van de dader in het bijzonder om het desbetreffende gronddelict, met inbegrip van de bestanddelen daarvan. Daarbij sluit aan dat dat opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan (vgl. HR LJN BC0780). Er is dus vooral een kader geschapen voor die gevallen waarin het opzet van de medeplichtige niet geheel is gericht op het door de dader gepleegde gronddelict en het opzet van de medeplichtige in die zin afwijkt van het opzet van de dader. Mede gelet hierop moet ten aanzien van de uitdrukking “een deel daarvan” worden aangenomen dat ingeval het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband moet houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel daaromtrent laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Nochtans zal doorgaans kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband. Het Hof heeft blijkens zijn overwegingen vastgesteld dat het opzet van verdachte slechts was gericht op de bedreiging met het door hem gegeven mes. Het heeft kennelijk geoordeeld dat dit misdrijf verband in de hiervoor bedoelde zin hield met de poging tot doodslag en de poging tot zware mishandeling met datzelfde mes. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.

Spreker(s)

mr.-Rob-ter-Haar.jpg
mr. Rob Ter Haar

plaatsvervangend rechter Rechtbank Overijssel, docent Universiteit Utrecht

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: