Hoge Raad 22 mei 2012

ECLI:NL:HR:2012:BU2016

Datum: 22-05-2012

Onderwerp(en): Roekeloosheid

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Artt. 6 en 175 WVW 1994. Roekeloosheid. HR herhaalt HR LJN A05822. Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als “de zwaarste vorm van het culpose delict” wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175.3 WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge lid 2 van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: