Hoge Raad 23 april 2019

ECLI:NL:HR:2019:660

Datum: 23-04-2019

Onderwerp(en): Schuld

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Webinars over deze uitspraak

Dodelijk verkeersongeval in Eindhoven waarbij lid van arrestatie- en ondersteuningsteam als bestuurder van politieauto die deel uitmaakt van colonne in botsing is gekomen met vrouw op snorfiets. Dood door “schuld” in het verkeer, art. 6 WVW 1994. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep van verdachte waarvan niet persoonsgegevens maar codenummer is vermeld in dagvaarding/oproeping. 2. “Schuld” a.b.i. art. 6 WVW 1994 en beroep op bevoegd gegeven ambtelijk bevel, art. 43 Sr.

Ad 1. Om veiligheidsredenen zijn niet persoonsgegevens van verdachte maar codenummer vermeld in dagvaarding/oproeping. De bij dit codenummer behorende persoonsgegevens zijn bekend en verifieerbaar bij politie en bij justitiële autoriteiten. Anders dan in ECLI:NL:HR:2001:AB0259 is hier geen sprake van volledig anonieme verdachte, maar van verdachte wiens persoonsgegevens via codenummer bekend zijn bij justitiële autoriteiten. Verdachte kan daarom worden ontvangen in onder dit codenummer ingesteld beroep.

Ad 2. HR herhaalt overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO5822 m.b.t. schuld a.b.i. art. 6 WVW 1994. Hof heeft vastgesteld dat verdachte, terwijl verkeerslicht in zijn richting rood licht uitstraalde, over busbaan grote kruising is opgereden met snelheid van ten minste 90 km/u, waarbij alleen al remweg even lang was als gehele kruising, en in botsing is gekomen met slachtoffer dat van rechts op snorfiets aankwam. Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel gevolgtrekking dragen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en dat verkeersongeval aan schuld van verdachte a.b.i. art. 6 WVW 1994 te wijten is. Dat kan in concreto anders zijn indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat van schuld niet kan worden gesproken. In dat verband heeft Hof vastgesteld dat verdachte als lid van arrestatieteam op instructie van sectiecommandant met spoed en in 'treintje' c.q. colonne naar Bergeijk reed, waarbij hij optische en geluidssignalen voerde en om die reden als bestuurder van voorrangsvoertuig mocht afwijken van voorschriften gesteld in RVV 1990. Maar Hof heeft daarbij ook vastgesteld dat betreffende instructie inhield dat niet alleen zo snel mogelijk, maar ook zo veilig mogelijk gereden diende te worden, terwijl verdachte, ook als in 'treintje' werd gereden, te allen tijde een eigen beslissingsruimte had om te reageren op zich voordoende situaties, waarbij rood verkeerslicht en kruispunt bijzondere aandachtspunten zijn. Daaraan heeft Hof niet alleen slotsom verbonden dat geen sprake is geweest van uitvoering van ambtelijk "bevel", maar ook dat door verdachte gekozen uitvoering van betreffende instructie niet proportioneel was. ’s Hofs oordeel dat deze omstandigheden niet wezenlijk afdoen aan gevolgtrekking uit gedragingen van verdachte dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en verkeersongeval aan schuld van verdachte a.b.i. art. 6 WVW 1994 te wijten is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat met feitelijke waarderingen samenhangende oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

Volgt verwerping.

Spreker(s)

mr. R. ter Haar

docent aan de Universiteit Utrecht en verbonden als buitenpromovendus aan de VU, rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Overijssel

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: