Hoge Raad 23 juni 2020

ECLI:NL:HR:2020:1093

Datum: 23-06-2020

Onderwerp(en): (Voorwaardelijk) opzet

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Webinars over deze uitspraak

Haagse borstendokter. Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (meermalen gepleegd) door als directeur van kliniek in Den Haag borstvergrotende operaties uit te voeren die bij verschillende patiënten leiden tot infecties, art. 300.2 Sr. 1. Opzet op toebrengen van letsel? 2. Beroep op ‘medische exceptie’. 3. Causaal verband tussen gedragingen verdachte en bij patiënten ontstaan letsel? 4. Toelaatbaarheid bijzondere voorwaarde dat “verdachte gedurende proeftijd geen medische (be)handelingen verricht”. Art. 14b.2, 14c, 28.1 en 305 Sr. 5. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen ECLI:NL:HR:2003:AE9049 m.b.t. voorwaardelijk opzet op bepaald gevolg. ’s Hofs oordeel dat aanmerkelijke kans bestond op letsels en infecties (zowel letsel en infecties t.g.v. operaties door verdachte als letsel t.g.v. noodzakelijke hersteloperaties) berust op aan b.m. ontleende vaststellingen dat verdachte zich niet conform geldende professionele standaard als goed hulpverlener heeft gedragen. Hof heeft i.h.b. in aanmerking genomen dat bij meeste ingrepen lichaamsvreemd materiaal in lichaam van patiënten werd geplaatst, waarvoor hoogste graad van steriliteit was vereist, terwijl door verdachte onvoldoende zorg is gedragen voor in dit verband vereiste reiniging en desinfectie van benodigde ruimte en materialen. Hof heeft voorts geoordeeld dat, door onder deze omstandigheden toch chirurgische handelingen te verrichten, het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard en dat daaraan niet afdoet dat verdachte zijn inadequate handelen over geruime periode toeschrijft aan “een blinde vlek”. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat verdachte geen nadere maatregelen ter voorkoming van infecties heeft getroffen nadat eerste patiënt zich met ontstekingsverschijnselen had gemeld en dat uit omstandigheid dat hij antibiotica voorschreef, blijkt dat hij rekening hield met bacteriële infectie. Deze oordelen geven niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend gemotiveerd.

Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat verdachte niet heeft gehandeld conform op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit voor hulpverleners geldende professionele standaard zoals omschreven in art. 7:453 BW en zich daarom niet heeft gedragen als goed hulpverlener. Naar ’s hofs oordeel komt verdachte daarom geen beroep op medische exceptie toe. Onder ‘mishandeling’ in de zin van art. 300 Sr moet o.m. worden verstaan opzettelijk aan ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. ECLI:NL:HR:2014:2677). Indien door optreden van arts pijn of (zwaar) lichamelijk letsel wordt toegebracht, kan zo’n rechtvaardigingsgrond erin gelegen zijn dat arts medische handeling verricht in het belang van zijn patiënt en in overeenstemming met daarvoor geldende voorschriften (vgl. ECLI:NL:HR:1986:AC9531). Hof heeft vastgesteld dat verdachte wat betreft zijn praktijk- en kliniekvoering en t.a.v. het verkrijgen van ‘informed consent’ en medische uitvoering van behandelingen met daaraan verbonden nazorg niet conform geldende professionele standaard heeft gehandeld. Op grond daarvan heeft hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat verdachte gelet op zowel wijze van uitvoering van medische handelingen als omstandigheden waaronder die uitvoering heeft plaatsgevonden, niet zorg van goed hulpverlener heeft verleend en niet heeft gehandeld conform op hem als arts rustende verantwoordelijkheid en dat zijn beroep op voor arts bedoelde rechtvaardigingsgrond daarom niet opgaat. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Ad 3. Beantwoording van vraag of causaal verband bestaat tussen in bewezenverklaring omschreven gedragingen van verdachte en daarin genoemd letsel van patiënten, moet geschieden aan de hand van maatstaf of dat letsel redelijkerwijs a.g.v. die gedragingen aan verdachte kan worden toegerekend (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BT6362). Letsel zoals in bewezenverklaring omschreven betreft letsel dat bij patiënten is ontstaan door operaties die verdachte heeft verricht en door noodzakelijke hersteloperaties, waarbij dat letsel o.m. bestaat uit ernstig ontsierende littekens en vervormingen van hun borsten. Hof heeft geoordeeld dat letsel is opgetreden a.g.v. geheel van bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en i.h.b. onvoldoende zorgdragen voor reiniging en desinfectie van benodigde ruimte en materialen, niet conform geldende professionele standaard handelen bij medische uitvoering van behandelingen alsmede niet adequaat behandelen van ontstane infecties en dat dit letsel redelijkerwijs t.g.v. die gedragingen aan verdachte kan worden toegerekend. Dit oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad 4. Hof heeft bij oplegging gevangenisstraf van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met proeftijd van 3 jaren, als bijzondere voorwaarde gesteld dat “verdachte gedurende proeftijd geen medische (be)handelingen verricht”. In aanmerking genomen dat naleving van bijzondere voorwaarde neerkomt op ondergaan van in wet voorziene bijkomende straf van ontzetting van het recht beroep uit te oefenen, die niet mogelijk is indien misdrijf van art. 300 Sr wordt begaan, heeft hof ten onrechte deze bijzondere voorwaarde gesteld (vgl. ECLI:NL:HR:2019:87). HR doet zaak zelf af door bijzondere voorwaarde te vernietigen en proeftijd op 2 jaren te bepalen.

Ad 5. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan Staat t.b.v. in arrest genoemde slachtoffers in arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis. HR zal ‘s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Spreker(s)

mr. R. ter Haar

docent aan de Universiteit Utrecht en verbonden als buitenpromovendus aan de VU, rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Overijssel

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: