Hoge Raad 23 november 2021

ECLI:NL:HR:2021:1747

Datum: 23-11-2021

Onderwerp(en): Voorwaardelijk opzet

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Doodslag op echtgenote (art. 287 Sr) en haar ongeboren kind (art. 287 jo. 82a Sr) op 27/28 februari 2019 te Leens. 1. Opzet op de dood van het ongeboren kind? 2. Is voor doodslag op een ongeboren kind opzet op de levensvatbaarheid van de vrucht vereist? 3. Samenloop bij gevolgdelict. Meerdaadse samenloop a.b.i. art. 57 Sr?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2003:AE9049 m.b.t. voorwaardelijk opzet. Hof heeft vastgesteld dat verdachte geweldshandelingen tegen zijn echtgenote heeft begaan die o.m. bestonden uit het gedurende enige tijd met kracht dichtknijpen en/of -drukken van haar hals/keel als gevolg waarvan zij is overleden, en dat verdachte wist dat zijn echtgenote t.t.v. het begaan van deze geweldshandelingen zwanger was. In de door hof bevestigde bewijsoverwegingen ligt als oordeel besloten dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het intreden van niet alleen de dood van zijn echtgenote, maar ook de dood van het ongeboren kind dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de – naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten – kans dat het ongeboren kind als gevolg van zijn geweldshandelingen zou overlijden, bewust heeft aanvaard. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Het voorschrift van art. 82a Sr brengt met zich dat strafbaarstelling van doodslag in art. 287 Sr mede omvat het opzettelijk doden van vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten moederlichaam in leven te blijven. Bestanddeel ‘een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven’ is vervuld als op het moment van de tlgd. gedragingen redelijkerwijs mocht worden verwacht dat vrucht in staat zou zijn bij een ‘normale’ geboorte op dat moment buiten het moederlichaam in leven te blijven (vgl. HR:1990:ZC8539). Uit samenstel van art. 287 Sr en art. 82a Sr volgt dat voor een veroordeling voor dat misdrijf is vereist dat het opzet van dader behalve op het doden van de vrucht ook (al dan niet voorwaardelijk) erop gericht was dat (naar redelijkerwijs mag worden verwacht) de vrucht in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven. ’s Hofs andersluidende opvatting is dus onjuist. Dit leidt echter niet tot cassatie nu uit bewijsvoering kan worden afgeleid dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte mede erop was gericht dat (naar redelijkerwijs mocht worden verwacht) het ongeboren kind van zijn echtgenote in staat was buiten haar lichaam in leven te blijven.

Ad 3. I.h.b. bij gevolgdelicten is het uitgangspunt dat elk gevolg (ook indien verschillende gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien) zelfstandige vervulling van delictsomschrijving oplevert en dat daarom in beginsel van eendaadse samenloop of van voortgezette handeling geen sprake is (vgl. HR:2017:1111). ’s Hofs oordeel hof dat geen grond bestaat om van dit uitgangspunt af te wijken, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Volgt verwerping.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: