Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 5 maart 2024 Hoge Raad 5 maart 2024 Bekijk alles
ECLI:NL:HR:2023:40 Hoge Raad 24 januari 2023

ECLI:NL:HR:2023:40

Datum: 24-01-2023

Onderwerp: Vrijspraak in eerste aanleg: ’Jaddoe tegen Nederland'

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Vindplaats: Avdr.nl, LegalFlix



Post-Jaddoe. Veroordeling in hoger beroep na vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. openlijk geweld tegen personen en goederen (art. 141.1 Sr) en medeplegen bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht (art. 285.1 Sr) door meermalen met auto tegen andere auto met twee inzittenden aan te rijden, met handen schietbewegingen te maken en die andere auto te achtervolgen en op te jagen. 1. HR gaat in op zienswijze van VN-Mensenrechtencomité in zaak Jaddoe en op afdoening van zaken met art. 80a en 81.1 RO i.h.l.v. die zienswijze in gevallen waarin in h.b. is veroordeeld voor een feit waarvan in e.a. is vrijgesproken. 2. Klacht dat hof, door verdachte te veroordelen voor feit waarvan hij in e.a. was vrijgesproken, situatie in leven heeft geroepen die in strijd is met art. 14.5 IVBPR (recht om schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door hoger rechtscollege). 3. Openlijk geweld ‘tegen personen’? 4. Alternatief scenario.
Ad 1. HR begrijpt zienswijze in zaak Jaddoe - waarin verdachte in h.b. is veroordeeld voor medeplegen van twee moorden, nadat hij in e.a. van medeplegen van één van deze moorden was vrijgesproken - aldus dat daarin door VN-Mensenrechtencomité aangenomen schending van art. 14.5 IVBPR berust op door HR in die zaak gebruikte verkorte, aan art. 81.1 RO ontleende, motivering en dat strekking daarvan niet is dat Nederlandse cassatieprocedure als zodanig niet voldoet aan eisen van art. 14.5 IVBPR. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1732 en HR:2020:285 over cassatieprocedure en toepassing van art. 80a en 81.1 RO. Controle door HR van bewijsvoering van feitenrechter kan zich niet alleen uitstrekken tot beoordeling of sprake is van wettig bewijs maar ook of bewezenverklaring kan worden afgeleid uit door feitenrechter gebruikte bewijsmiddelen. HR kan ook onderzoeken of conclusies van feitelijke aard, die feitenrechter heeft getrokken uit f&o die in b.m. zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn en beoordelen of feitenrechter toereikend heeft gereageerd op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over bewijsbeslissing, zoals standpunten over betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en aannemelijkheid van alternatieve scenario’s. Anders dan op onderdelen door VN-Mensenrechtencomité in zienswijze in zaak Jaddoe tot uitgangspunt lijkt te worden genomen, vindt in cassatieprocedure ook in gevallen waarin verkorte motivering wordt toegepast, inhoudelijke beoordeling plaats van zowel juridische als feitelijke gronden van schuldigverklaring en veroordeling. HR vindt desalniettemin in zienswijze aanleiding om in zaken waarin in h.b. veroordeling is gevolgd voor feit waarvan in e.a. was vrijgesproken en in cassatie tevergeefs wordt geklaagd over bewijsvoering, cassatieberoep vaker af te doen met motivering die meer is toegesneden op concrete zaak en wat is aangevoerd in (toelichting op) middel, i.p.v. met motivering zoals bedoeld in zienswijze.
Ad 2. Middel berust op onjuiste opvatting dat uit zienswijze in zaak Jaddoe volgt dat cassatieprocedure als zodanig niet kan worden beschouwd als beoordeling door hoger rechtscollege i.d.z.v. art. 14.5 IVBPR.
Ad 3. HR: Om redenen vermeld in CPG faalt middel. CPG: Art. 141 Sr is misdrijf tegen openbare orde. Bepalend is of fysieke gedragingen gericht tegen personen dermate gewelddadig zijn, dat sprake is van aantasting van openbare orde. ’s Hofs oordeel dat handelingen van verdachten openbare orde verstorende openlijke geweldpleging tegen zowel goederen als personen vormen, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Ad 4. HR: Om redenen vermeld in CPG faalt middel. CPG: ’s Hofs oordeel dat alternatief scenario (verdachte was niet bij tlgd. betrokken en is pas kort voor aanhouding in auto gestapt) gelet op kort tijdsbestek en kort moment waarop auto uit zicht van politie was niet aannemelijk is geworden, is niet onbegrijpelijk.
Volgt verwerping. Samenhang met 22/00791.

Ga naar uitspraak
Spreker(s)