ECLI:NL:HR:2020:1140

Rechtbank:Hoge Raad

Datum: 26-06-2020

Rechtsgebiedenregister: Burgerlijk procesrecht

Vindplaats: Extern


Inhoudsindicatie:

Art. 81 lid 1 RO. Procesrecht. Comparitie na aanbrengen in hoger beroep. Had het hof partijen moeten wijzen op recht op mondelinge behandeling ten overstaan van de drie raadsheren die zouden gaan beslissen? HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726.


Uitspraak:

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/03316

Datum 26 juni 2020

ARREST

In de zaak van

[de vrouw],wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: E.F.A. Linssen-van Rossum,

tegen

[de man],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/500713/HA ZA 16-435 van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2017 en 26 juli 2017;
b. het arrest in de zaak 200.231.254/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019.

De vrouw heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Tegen de man is verstek verleend.
De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 26 juni 2020.