Moord op zakenman in Bilthoven en diefstal van zijn horloge, art. 289 en 310 Sr. 1. Afwijzing verzoeken tot verrichten van nader onderzoek. 2. Bewijsklachten moord en diefstal. 3. Motivering voorbedachte raad. 4. Strafmaatverweer m.b.t. onrechtmatige doorzoeking van elektronische gegevensdragers van verdachte. 5. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1., 2., 3. en 4. HR: art. 81.1 RO.

Ad 5. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat t.b.v. in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. M.i.v. 1-1-2020 is art. 36f Sr gewijzigd bij Wet USB. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BP6878, inhoudende dat voor regels van sanctierecht geldt dat een sinds plegen van delict opgetreden verandering door rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, indien en v.zv. die verandering t.g.v. verdachte werkt en dat door wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen art. 7 EVRM, art. 15.1. IVBPR en art. 49.1 EU-Handvest. Wetswijzing komt hierop neer dat rechter m.i.v. 1-1-2020 niet langer mogelijkheid om vervangende hechtenis te verbinden aan oplegging van schadevergoedingsmaatregel, voor het geval geen volledige betaling of volledig verhaal volgt. In plaats daarvan kan rechter dwangmiddel van gijzeling opleggen, die net als vervangende hechtenis ten hoogste 1 jaar kan duren. Uit wetsgeschiedenis blijkt dat uitgangspunt van wetgever daarbij was dat veroordeelde niet wordt onderworpen aan gijzeling indien sprake is van betalingsonmacht. In verband daarmee is in art. 6:4:20.3 Sv bepaald dat geen gijzeling wordt toegepast “indien veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan verplichting tot betaling”. Voorheen geldende regeling kende niet voorziening voor gevallen van betalingsonmacht. Volgens die regeling kon ook in geval van betalingsonmacht vervangende hechtenis ten uitvoer worden gelegd (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BF5053). In het licht hiervan is met invoering van art. 6:4:20.3 Sv sprake van verandering in regels van sanctierecht die t.g.v. verdachte werkt en die met onmiddellijke ingang moet worden toegepast. Door wetgever in art. XLIVA Wet USB geformuleerde (en met hiervoor genoemde verdragsbepalingen strijdige) bijzondere overgangsbepalingen moeten daarbij, v.zv. zij betrekking hebben op vervangende hechtenis, buiten toepassing worden gelaten. HR merkt op dat in zaken waarin schriftuur na 26-6-2020 is ingekomen HR geen gebruik meer zal maken van zijn bevoegdheid bestreden beslissing ambtshalve te vernietigen op hiervoor aangeduide grond en dat HR van die bevoegdheid ook geen gebruik zal maken in zaken waarin cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO n-o is. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Spreker(s)

Ad-van-der-Linde.jpg
mr. Ad van der Linden

oud-(kinder)rechter, medewerker Universiteit Utrecht, voorzitter Beroepscollege Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) en van de Regionale Klachtencommissie Jeugd Eemland

Bekijk profiel
Paul-Vlaardingerbroek.jpg
prof. mr. Paul Vlaardingerbroek

raadsheer plaatsvervanger Gerechtshof Den Haag, Emeritus hoogleraar familie- en jeugdrecht Tilburg University

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: