Hoge Raad 3 april 2018

ECLI:NL:HR:2018:487

Datum: 03-04-2018

Onderwerp(en): Overzicht uitspraken: Ontbreken van verklaring over aanwezigheid/bezit van de buit

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Medeplegen woninginbraak. 1. Rechtmatigheid van de verschillende aangewende bevoegdheden en de grondslag daarvan. Controle- en opsporingsbevoegdheden, APV, Awb en Sv. Vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv? 2. Medeplegen, toepassing bewijsregel t.a.v. aantreffen buit kort na diefstal.

Casus: door opsporingsambtenaren belast met algemene surveillance en controle in- en uitgaand verkeer i.v.m. woninginbraken in Zwijndrecht is ‘s avonds een stopteken gegeven aan een auto met vier inzittenden. Uit persoonscontroles blijkt dat inzittenden in verband kunnen worden gebracht met verdachte situaties en diefstallen, waaronder woninginbraken. Zonder toestemming bestuurder is de auto gecontroleerd op aanwezigheid van inbrekerswerktuigen. Na opzij leggen van een tas wordt in die tas een grote schroevendraaier waargenomen. Verdachte wordt aangehouden op verdenking van overtreding van APV (op een openbare plaats inbrekerswerktuigen bij zich hebben). Daarna is de auto o.g.v. art. 96b Sv (doorzoeken vervoermiddel) doorzocht en wordt buit aangetroffen. In ’s Hofs vaststellingen ligt besloten dat de aan deze doorzoeking voorafgegane controle heeft plaatsgevonden i.v.m. eerdere woninginbraken en derhalve onderzoek betrof i.v.m. strafbare feiten.

Ad 1. ’s Hofs oordeel dat de opsporingsambtenaren als toezichthouder ex art. 5:11 jo. art. 5:15 en/of 5:19 Awb jo. art. 2:44.1 APV bevoegd waren het voertuig en de lading te onderzoeken getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat ex art. 1:6.a Awb de hoofdstukken 2-8 en 10 van de Awb niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De bevoegdheidsuitoefening door een toezichthouder kan niet worden gebaseerd op de bepalingen van de Awb indien die bevoegdheidsuitoefening uitsluitend kan worden aangemerkt als opsporing ex art. 132a Sv. Slagen van middel leidt niet tot cassatie, omdat verweer slechts inhoudt dat sprake is van een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv en dat dit tot bewijsuitsluiting moet leiden maar niets is aangevoerd over belang geschonden voorschrift, ernst verzuim en nadeel. Hof had reeds op die grond niet anders kunnen doen dan verweer verwerpen.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:1315, ECLI:NL:HR:2016:1323 m.b.t. de rol van de procesopstelling van verdachte bij medeplegen en uit ECLI:NL:HR:2017:3022 m.b.t. geval waarin niet is vastgesteld dat diefstal door medeplegers is begaan maar verdachte kort na diefstal met ander(en) wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij diefstal duiden. ’s Hofs oordeel dat, mede in aanmerking genomen dat een aannemelijke, andersluidende verklaring van verdachte is uitgebleven alsook gelet op het zenuwachtige gedrag van verdachte en zijn mededaders na het geven van het stopteken en de omstandigheid dat verdachte en zijn mededaders klaarblijkelijk samen vanuit hun woonplaats Den Haag naar Zwijndrecht zijn gereden en Zwijndrecht later weer met de buit van de inbraak wilden verlaten, verdachte en zijn mededaders zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van de inbraak, is toereikend gemotiveerd.

Samenhang met 16/03374, 16/03176 (niet gepubliceerd, geen middelen ingediend) en 16/03208 (niet gepubliceerd, geen middelen ingediend).