Hoge Raad 30 juni 2020

ECLI:NL:HR:2020:1149

Datum: 30-06-2020

Onderwerp(en): Vermogensdelicten

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Medeplegen afpersing, meermalen gepleegd (art. 317.1 en 317.3 jo. 312.2.2 Sr) en oplichting door jonge vrouw door samenweefsel van verdichtsels te bewegen tot aangaan van schulden in de vorm van telefoonabonnementen en afbetalingsregeling voor MacBook (art. 326.1 Sr). 1. Bewijsklacht oplichting. Had aangeefster onjuiste voorstelling van zaken moeten doorzien? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2892 m.b.t. vereiste dat iemand door oplichtingsmiddel wordt 'bewogen' tot in art. 326.1 Sr bedoelde handelingen. Oplichting in de zin van art. 326.1 Sr is niet aan de orde is, wanneer middel is gebruikt dat in het algemeen niet is geëigend ander te bedriegen en het tevens dermate evident is dat sprake is van onjuiste voorstelling van zaken dat moet worden aangenomen dat i.h.a. in maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid die ander aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen (vgl. wetsgeschiedenis). Hof heeft vastgesteld dat aangeefster heeft gereageerd op advertentie van verdachte die inhield dat zij ‘vandaag nog’ 1.000 euro kon verdienen. Zij is vervolgens samen met hem achtereenvolgens naar 4 winkels gegaan, waar zij in totaal 5 telefoonabonnementen heeft afgesloten en 5 bijbehorende ‘gratis’ telefoons heeft ontvangen. Verdachte had aangeefster vooraf uitgelegd hoe het in zijn werk zou gaan met telefoons en haar voorgehouden dat zijn zwager vanwege diens functie “op hoofdkantoor dat samenwerkt met alle providers” abonnementen uit systeem kon halen, zodat er niks op haar naam zou blijven staan. Bij vijfde winkel heeft aangeefster Macbook op afbetaling gekocht, waarvoor zij van verdachte nog 700 euro extra zou krijgen. Verdachte zei vervolgens tegen aangeefster dat hij dat geldbedrag nog moest halen maar is niet meer teruggekomen en aangeefster heeft geen geld gekregen. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat geen sprake was van situatie zoals hiervoor bedoeld, waarin beoogd slachtoffer gelet op i.h.a. in maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk in het licht van wat hof heeft vastgesteld over aard van in bewezenverklaring bedoelde mededelingen en context waarin deze zijn gedaan, waaruit o.m. naar voren komt dat aangeefster ermee bekend was dat alle handelingen van verdachte erop waren gericht apparatuur uit winkels te verkrijgen zonder daarvoor (volledig) te betalen en dat verdachte haar had toegezegd dat haar naam uit systemen van providers zou worden verwijderd ondanks verstrekking van gratis telefoons en afsluiting van telefoonabonnementen. Gelet hierop is bewezenverklaring van oplichting onvoldoende gemotiveerd. HR zal om doelmatigheidsredenen verdachte t.z.v. dit feit vrijspreken. Daardoor wordt aard en ernst van hetgeen in bestreden uitspraak overigens ten laste van verdachte is bewezenverklaard niet aangetast, zodat vernietiging t.z.v. oplegging van in arrest vermelde gevangenisstraf van 26 maanden op deze grond achterwege kan blijven.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Spreker(s)

prof.-mr.-Dirk-Herman-de-Jong.jpg
prof. mr. Dirk Herman de Jong

emeritus hoogleraar Rijksuniversiteit Groningen, straf- en strafprocesrecht

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: