ECLI:NL:HR:2025:1430
Rechtbank:Hoge Raad
Datum: 30-09-2025
Onderwerp: Zeden I
Overige onderwerpen: ECLI:NL:HR:2025:1430, Zeden, Zeden I
Rechtsgebiedenregister: Personen- en familierecht, Strafrecht
Vindplaats: Avdr.nl
Inhoudsindicatie:
Feitelijke aanranding van eerbaarheid door het meermalen betasten van borst van medewerkster van supermarkt, art. 246 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Kon hof oordelen dat verdachte met zijn handelingen de aangeefster heeft gedwongen ontuchtige handelingen te dulden? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft zijn feitelijke oordeel dat op momenten dat verdachte de borst van aangeefster heeft aangeraakt sprake was van “momenten van relatieve rust”, kunnen afleiden uit de voor bewijs gebruikte verklaring van aangeefster. Voorts heeft hof zijn feitelijke oordeel dat sprake was van doelbewuste betasting en niet van een door fysiek tumult per abuis ontstane aanraking, eveneens kunnen afleiden uit die verklaring, die wordt ondersteund door de voor bewijs gebruikte p-v’s van bevindingen. Daarnaast heeft hof overwogen dat aangeefster door onverhoeds karakter van handelingen van verdachte werd gedwongen ontuchtige handelingen te dulden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd gelet op betekenis van “dwingen” a.b.i. art. 246 (oud) Sr en hetgeen door steller van middel is aangevoerd. Bovendien vormt eventuele omstandigheid dat seksuele context ontbreekt (of bijvoorbeeld dat verdachte de handeling zelf niet als seksueel beschouwt of deze niet vanuit seksueel motief verricht) geen obstakel voor vaststelling dat sprake was van “het opzettelijk, in strijd met sociaal-ethische norm, ontuchtig aanraken van aangeefster”. Ook in dat opzicht is ‘s hofs oordeel dat verdachte met zijn handelingen de aangeefster heeft gedwongen ontuchtige handelingen te dulden, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Uitspraak:
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02264
Datum 30 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 juni 2023, nummer 21-001815-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.F. Ronday bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.