ECLI:NL:HR:2025:1400
Rechtbank:Hoge Raad
Datum: 30-09-2025
Onderwerp: Medeplegen
Overige onderwerpen: ECLI:NL:HR:2025:1400
Rechtsgebiedenregister: Strafrecht
Vindplaats: Avdr.nl
Inhoudsindicatie:
Caribische zaak. Medeplegen gekwalificeerde doodslag in Curaçao (art. 2:260 SrC). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Gebruik voor bewijs van verklaringen die medeverdachten ttz. in hoger beroep in hun eigen zaak hebben afgelegd. 2. Bewijsklacht medeplegen. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: In aanmerking genomen dat verdediging aanwezig was op zitting waar toegevoegde verklaringen van medeverdachten zijn afgelegd, van beslissing tot voeging op de hoogte is gesteld bij tussenvonnis en hiertegen ttz. in h.b. geen bezwaren heeft geuit, geeft ‘s hofs oordeel dat verklaringen konden worden gevoegd aan dossier niet blijk van onjuiste rechtsopvatting noch van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde. Gebruik van verklaringen van medeverdachten voor bewijs is toegestaan zo lang zaken niet gevoegd worden behandeld, terwijl uit p-v’s van tz. in h.b. volgt dat zaak van verdachte gelijktijdig maar niet gevoegd is behandeld met die van zijn medeverdachten. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft kennelijk geoordeeld (en kunnen oordelen) dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat slachtoffer leven zou laten. Dat verdachte mogelijk niet precies wist op welke wijze slachtoffer zou worden gedood, maakt dat niet anders. O.b.v. planmatige wijze waarop verdachte en medeverdachten te werk gingen, kon hof voorts oordelen dat nauw en bewust is samengewerkt. Gelet op intensiteit van samenwerking en rol van verdachte in aanloop naar dood van slachtoffer, getuigt ’s hofs oordeel dat medeplegen gekwalificeerde doodslag bewezen kan worden verklaard niet van onjuiste rechtsopvatting en is dat niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 24/03678 C en 24/03689 C.
Uitspraak:
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02878 C
Datum 30 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 12 juli 2024, nummer H-26/21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen die de medeverdachten op de terechtzitting van het hof van 10 april 2024 in hun eigen zaak hebben afgelegd.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2, 3.3 en 3.8 tot en met 3.10.
3Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van – kort gezegd – gekwalificeerde doodslag.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.
4Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.