Hoge Raad 4 december 2018

ECLI:NL:HR:2018:2247

Datum: 04-12-2018

Onderwerp(en): Overzicht uitspraken: Vervolging overheid

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Economische zaak. Feitelijke leidinggeven aan laten verwijderen van asbest uit kippenstallen zonder voorzorgsmaatregelen te nemen, begaan door rechtspersoon (art. 10.1.2 Wet milieubeheer) en feitelijke leidinggeven aan in bodem brengen van verontreinigd puin van afgebrande sauna terwijl redelijkerwijs had kunnen worden vermoed dat daardoor bodem kon worden verontreinigd, opzettelijk begaan door rechtspersonen (art. 13 Wet bodembescherming). Opzet feitelijke leidinggever m.b.t. overtreding (verwijderen asbest) en misdrijf (in bodem brengen van verontreinigd puin). 1. Blijkt in feitelijke leidinggeven besloten liggend opzet verdachte op verboden gedraging (verwijderen asbest) uit bewijsvoering? 2. Strekt opzet feitelijke leidinggever zich uit tot delictsbestanddeel (“dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd”) dat door culpoos bestanddeel wordt bestreken (“redelijkerwijs had kunnen vermoeden")? Art. 13 Wet bodembescherming en art. 1a en 2.1 WED.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:733 m.b.t. strafrechtelijke aansprakelijkheid van feitelijke leidinggever en opzet van leidinggever. Hof heeft vastgesteld dat verdachte bestuurder was van pluimveebedrijf, verdachte als directeur dagelijkse leiding had en eindverantwoordelijkheid droeg, verdachte kippenstallen in 1977 zelf heeft laten bouwen, op aanwijzing van verdachte en in overleg met hem bedrijfsleider in 2011 is begonnen met verbouwing van kippenstallen, waarbij openingen zijn gezaagd in wandbeplating van kippenstallen en in die wandbeplating asbest zat. Hof heeft voorts overwogen dat, gelet op omstandigheid dat kippenstallen vóór 1993 zijn gebouwd, het een feit van algemene bekendheid is dat "zich in dergelijke bouwwerken - met name die met een agrarische bestemming - (ook in wandplaten) asbesthoudende materialen kunnen bevinden". In deze overwegingen ligt als ‘s Hofs oordeel besloten niet alleen dat verdachte als bestuurder en directeur bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te nemen ter voorkoming van verboden gedraging van rechtspersoon, hij dit heeft nagelaten en hij daardoor deze gedraging heeft bevorderd, maar ook dat hij bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat verboden gedraging zich zou voordoen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Klacht berust op onjuiste opvatting dat opzetvereiste zich in een geval als het onderhavige ook uitstrekt tot delictsbestanddeel "dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd". Die opvatting vindt immers geen steun in het recht, omdat blijkens delictsomschrijving (art. 13 Wet bodembescherming) t.a.v. dat bestanddeel ook "redelijkerwijs had kunnen vermoeden" toereikend is.

Volgt verwerping.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: