Hoge Raad 4 maart 2008

ECLI:NL:HR:2008:BC0780

Datum: 04-03-2008

Onderwerp(en): OM-cassaties

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

OM-cassatie. Medeplichtigheid. Kennelijk heeft het Hof voor de vrijspraak van de medeplichtigheid in de 1e plaats van belang geacht dat niet kon worden bewezen dat het opzet van verdachte was gericht op de manier waarop het misdrijf zou worden uitgevoerd, i.c. door het gebruik van een vuurwapen. Daarmee heeft het een eis gesteld die geen steun vindt in het recht. Voor de bewezenverklaring van opzettelijke medeplichtigheid aan een misdrijf is o.m. vereist dat bewezen wordt dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op dat misdrijf. Dat opzet omvat echter niet de precieze wijze waarop het misdrijf wordt begaan. Dat wordt niet anders nu in de tll bij de omschrijving van het door de daders voorgenomen misdrijf alleen het schieten als handeling ter uitvoering van het voornemen is genoemd. Het Hof heeft in de 2e plaats voor de vrijspraak van de medeplichtigheid van belang geacht dat de tll. i.c. mee brengt “dat uit de wettige bewijsmiddelen zal moeten blijken dat een van de als plegers aangemerkte personen ook daadwerkelijk degene is geweest die heeft geschoten” waarmee het Hof kennelijk het oog heeft op de in de tll. met name aangeduide personen. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk nu de tll. spreekt over het voorgenomen misdrijf van de als plegers genoemde personen om “tezamen en in vereniging met elkaar en/of een ander of anderen, althans alleen” het slachtoffer van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: