Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 5 maart 2024 Hoge Raad 5 maart 2024 Bekijk alles
ECLI:NL:HR:2022:1328 Hoge Raad 4 oktober 2022

ECLI:NL:HR:2022:1328

Datum: 04-10-2022

Onderwerp: Art 226g Sv

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Vindplaats: Avdr.nl



Woningoverval. Medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2.2 Sr. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM dan wel bewijsuitsluiting. Onrechtmatige toezegging aan medeverdachte A door politie, art. 226g Sv. N.a.v. gewelddadige dood van ex van zoon van slachtoffer woningoverval heeft politie inlichtingen gekregen dat leven van verdachte en medeverdachten A en B in gevaar was. Politie heeft hen op de hoogte gebracht van dreiging en hen vragen gesteld om zicht te krijgen op dader(s) van voornoemde gewelddadige dood. Aan A is door verbalisant medegedeeld ‘dat zij zichzelf door te verklaren niet kon belasten’ en later dat zij ‘niet vervolgd zou worden voor de overval’. Hof heeft vastgesteld dat het niet gaat om afspraken over strafvermindering a.b.i. art. 44a Sr en dat het, anders dan art. 226g.1 Sv voorschrijft, niet OvJ was die afspraak maakte of toezegging deed. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:600 m.b.t. aan afspraken a.b.i. art. 226g Sv gestelde eisen.
Volgens wetsgeschiedenis is uitgangspunt dat toezegging aan verdachte die bereid is belastende getuigenverklaring af te leggen in strafzaak tegen andere verdachte, niet zo ver mag gaan dat algehele vrijwaring van straf mag worden toegezegd. Ook mag zo’n toezegging niet worden gedaan door opsporingsambtenaar. ’s Hofs kennelijke oordeel dat omstandigheid dat door verbalisant aan A toezegging is gedaan dat zij niet zou worden vervolgd voor haar aandeel in overval, geen vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv oplevert, getuigt daarom van onjuiste rechtsopvatting. Tot cassatie hoeft dit echter (mede gelet op aard van verzuim in het licht van concrete doodsdreigingen die o.m. bestonden jegens getuige aan wie onrechtmatige toezegging is gedaan) niet te leiden. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat, ondanks toezegging aan A, geen sprake is van zodanig ernstige inbreuk op recht van verdachte op eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM waardoor n-o van OM moet plaatsvinden en bewijsuitsluiting van getuigenverklaring van A evenmin noodzakelijk is om schending van art. 6 EVRM te voorkomen. Deze oordelen zijn niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. HR neemt daarbij in aanmerking dat A ttz. in h.b. als getuige is gehoord, hof in bewijsoverwegingen heeft uiteengezet op welke gronden het A’s verklaring m.b.t. overval betrouwbaar heeft geoordeeld, en hof heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat OM de rechter of verdediging op essentiële punten onjuist heeft geïnformeerd.
Volgt verwerping. Samenhang met 21/02093.

Ga naar uitspraak
Spreker(s)

mr. Linda Kesteloo

docent Vrije Universiteit Amsterdam