Hoge Raad 21 november 2025 Hoge Raad 21 november 2025 Rechtbank Noord-Nederland 10 november 2025 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 6 november 2025 Rechtbank Noord-Nederland 6 november 2025 Bekijk alles
ECLI:NL:HR:2025:365 Hoge Raad 7 maart 2025

ECLI:NL:HR:2025:365

Rechtbank:Hoge Raad

Datum: 07-03-2025

Onderwerp: ECLI:NL:HR:2025:365

Overige onderwerpen: 24
Hoogte transitievergoeding, Artikelen 25 Rv (2), HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365
Berekenen transitievergoeding
3.2.1 Onderdeel 2 heeft betrekking op de hoogte van de door het hof
toegewezen TV. Het klaagt onder meer dat het hof het door de wn in
eerste aanleg verzochte bedrag heeft toegewezen, d, Inleiding, Partiële transitievergoeding, Programmawebinar 1, Recente jurisprudentie |Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365, Rechter moet zelf TV berekenen?
Hoge Raad 7 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:365):, Varia: ambtshalve toetsing

Rechtsgebiedenregister: Erfrecht, Sociaal-zekerheidsrecht, Huurrecht, Verbintenissenrecht, Ondernemingsrecht, Financieel recht, Personen- en familierecht, Arbeidsrecht, Vastgoedrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

Arbeidsrecht. Transitievergoeding. Art. 7:673 BW. Vaststelling met inachtneming van door hof bepaalde datum waarop arbeidsovereenkomst eindigt.


Uitspraak:

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 23/04731

Datum 7 maart 2025

BESCHIKKING

In de zaak van

[de werknemer],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de werknemer,
advocaat: P.A. Fruytier,

tegen

ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: EUR,
advocaat: E.M. Tjon-En-Fa.

1Procesverloop

Voor het verloop van het geding tot 15 november 2024 verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van die datum, ECLI:NL:HR:2024:1666.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het Hof Amsterdam van 5 september 2023 in zaak 200.319.593, maar uitsluitend voor zover in het dictum de omvang van de transitievergoeding is bepaald op € 33.571,83 (bruto) in hoofdsom, en tot afdoening zoals voorgesteld in 4.32 van de conclusie.De advocaten van beide partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2Uitgangspunten en feiten

2.1
De werknemer was sinds 1992 in dienst van EUR. In de arbeidsrelatie zijn problemen ontstaan die vanaf eind 2018 zijn toegenomen.

2.2
In deze procedure verzoekt EUR ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de grond dat de arbeidsverhouding ernstig verstoord is.

2.3
De kantonrechter heeft het ontbindingsverzoek van EUR afgewezen.

2.4
Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 oktober 2023. Verder heeft het hof EUR veroordeeld tot betaling aan [de werknemer] van een transitievergoeding van € 33.571,83 bruto en een billijke vergoeding van € 40.000,-- bruto.

3Beoordeling van het middel
3.1.1 Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3, onder g, BW.

3.1.2 De klachten van dit onderdeel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.2.1 Onderdeel 2 heeft betrekking op de hoogte van de door het hof toegewezen transitievergoeding. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof het door de werknemer in eerste aanleg verzochte bedrag heeft toegewezen, dat was gebaseerd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2022, en niet zelfstandig de hoogte van de transitievergoeding heeft bepaald, rekening houdend met de beslissing van het hof dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 oktober 2023.

3.2.2 Deze klacht is gegrond. De wet bevat nauwkeurige regels voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding en die regels houden onder meer in dat de hoogte daarvan afhankelijk is van de duur van het dienstverband (art. 7:673 lid 2 tot en met 6 BW). Het hof had de hoogte van de transitievergoeding ambtshalve moeten berekenen met inachtneming van de door het hof vastgestelde einddatum van de arbeidsovereenkomst.

3.2.3 De klacht kan echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Uit de reacties van partijen op de conclusie van de Advocaat-Generaal blijkt dat partijen na het instellen van het cassatieberoep overeenstemming hebben bereikt over het bedrag waarmee de door het hof vastgestelde transitievergoeding moet worden aangevuld, en dat EUR dit bedrag inmiddels aan de werknemer heeft betaald. De werknemer heeft daarom ook geen belang bij de overige klachten van onderdeel 2.

3.2.4 Omdat de genoemde overstemming pas is bereikt nadat de werknemer het cassatieberoep had ingesteld, zal de Hoge Raad EUR veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.

4Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt EUR in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de werknemer] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien EUR deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 7 maart 2025.

Gerechtshof Amsterdam 5 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2526.

Vgl. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, rov. 3.3.7.

Spreker(s)

mr. Marije Schneider

docent Universiteit Leiden, raadsheer-plv. Centrale Raad van Beroep en vice-voorzitter Ontslagcommissie Gemeenten