Hoge Raad 8 december 2020

ECLI:NL:HR:2020:1958

Datum: 08-12-2020

Onderwerp(en): Overzicht uitspraken: Jurisprudentie procesrecht en diversen

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht, Jeugdrecht strafrecht

Jeugdzaak. Steekincident op metrostation Postjesweg in Amsterdam, waarbij minderjarige meisjes zijn betrokken. Medeplegen poging tot doodslag (art. 47 jo. 287 Sr) en openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel tot gevolg (art. 141.2 Sr). Aanhouding zaak, art. 496a Sv. Is rechter, ingeval niet “beide ouders” van minderjarige verdachte ttz. zijn verschenen en geen sprake is van één van in art. 496a.3 Sv omgeschreven uitzonderingssituaties, verplicht om o.g.v. art. 496a.1 Sv behandeling van zaak aan te houden? O.g.v. art. 496a.1 Sv moet (behoudens in lid 3 omschreven uitzonderingssituaties) behandeling van zaak worden aangehouden indien “de ouders” van een van misdrijf verdachte minderjarige in gebreke blijven om op tz. te verschijnen. Een redelijke en met bedoeling van wetgever en eisen van praktische hanteerbaarheid strokende wetstoepassing brengt mee dat dit voorschrift alleen ziet op het geval dat geen van beide ouders is verschenen. Dat vindt bevestiging in parlementaire stukken, i.h.b. het daarin opgenomen standpunt van regering dat desbetreffende regeling aan rechter de ruimte verschaft om verschijningsplicht “naar de geest van de wet” uit te voeren door behandeling van zaak “in de regel” niet aan te houden “als één van beide ouders afwezig is” en dat met dergelijke “pragmatische” toepassing van verschijningsplicht goede afweging wordt gemaakt tussen “belang (...) bij een snelle afdoening van [de] strafzaak” en “belang van de aanwezigheid van ouders”. Middel berust op onjuiste rechtsopvatting. Volgt verwerping. Samenhang met 19/02082 J.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: