Hoge Raad 8 oktober 2019

ECLI:NL:HR:2019:1545

Datum: 08-10-2019

Onderwerp(en): Voorwaardelijk opzet

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten (art. 3.C Opiumwet) en diefstal van elektriciteit (art. 311.1.5 Sr) in door verdachte gehuurde woning. 1. ’s Hofs oordeel dat verdachte hennepplanten opzettelijk aanwezig heeft gehad begrijpelijk, gelet op verklaring verdachte dat zij inwoonde bij haar vriend? 2. Bewijsklacht diefstal.

Ad 1. Hof heeft zijn oordeel dat verdachte in pand hennepplanten “opzettelijk aanwezig heeft gehad” niet toereikend gemotiveerd. HR neemt daarbij in aanmerking dat Hof zijn oordeel dat verdachte het in dit verband vereiste opzet heeft gehad in de kern slechts erop heeft gebaseerd dat verdachte pand had gehuurd en dat als “uitgangspunt daarbij heeft te gelden dat er van uit mag worden gegaan dat een huurder weet wat zich in zijn woning bevindt dan wel afspeelt, tenzij anders is gebleken”, terwijl Hof in het midden heeft gelaten verweer dat verdachte niet in desbetreffend pand maar in woning van haar partner verbleef.

Ad 2. Aangezien bewezenverklaring, inhoudende dat verdachte elektriciteit heeft “weggenomen”, niet z.m. kan worden afgeleid uit gebezigde b.m., is bestreden uitspraak in dit opzicht niet naar eis der wet met redenen omkleed.

Volgt vernietiging en terugwijzing.

Spreker(s)

prof.-mr.-Dirk-Herman-de-Jong.jpg
prof. mr. Dirk Herman de Jong

emeritus hoogleraar Rijksuniversiteit Groningen, straf- en strafprocesrecht

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: