Hoge Raad 9 juli 2019

ECLI:NL:HR:2019:1142

Datum: 09-07-2019

Onderwerp(en): Aanwezigheidsrecht

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

Voorhanden hebben vuurwapen en munitie (art. 26.1 WWM) en aanwezig hebben hasj (art. 3.C Opiumwet). Aanhoudingsverzoek gemachtigde raadsman, die niet weet waarom verdachte niet is verschenen, ttz. op de grond dat verdachte (mogelijk) geen weet heeft van tz. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1934, inhoudende dat aanhoudingsverzoek kan worden gedaan door verdachte, gemachtigde raadsman of niet gemachtigde raadsman (met het oog op effectuering aanwezigheidsrecht verdachte of t.b.v. alsnog verkrijgen machtiging), dat rechter verzoek reeds - zonder dat wordt overgegaan tot afweging tussen alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen - kan afwijzen op de grond dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, dat rechter (als geval dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is zich niet voordoet) belangenafweging dient te maken tussen aanwezigheidsrecht verdachte en belang bij doeltreffende en spoedige berechting en dat rechter i.g.v. afwijzing van verzoek in motivering van zijn beslissing blijk dient te geven van deze belangenafweging, terwijl die motivering in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid kan worden getoetst. HR geeft nadere regels voor beoordeling van aanhoudingsverzoek in situatie dat raadsman op tz. aangeeft dat hij niet weet waarom verdachte niet is verschenen en dat hij het mogelijk acht dat verdachte geen weet heeft van zitting en om die reden aanhoudingsverzoek doet. Indien dagvaarding of oproeping in persoon is betekend, kan aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid z.m. als “niet aannemelijk” worden beoordeeld. Indien dagvaarding of oproeping niet is persoon is uitgereikt maar wel op rechtsgeldige wijze is betekend, kan rechter verzoek niet op die enkele grond afwijzen, nu daaruit niet z.m. volgt dat verdachte op de hoogte is van tz. Indien niet kan worden vastgesteld dat verdachte weet heeft van tz., dient rechter afweging te maken tussen alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen. Bij die belangenafweging kan wel betekenis toekomen aan omstandigheid dat dagvaarding of oproeping op rechtsgeldige wijze (maar niet in persoon) is betekend. Van verdachte die h.b. instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, mag dan immers worden verwacht dat hij in maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat appeldagvaarding hem niet bereikt of inhoud daarvan hem niet bekend wordt (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD5163). Kennelijk niet treffen door verdachte van in maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen kan rechter in h.b. - naast andere factoren die daarvoor van belang kunnen zijn, zoals procesverloop en gewicht van zaak - in vereiste belangenafweging betrekken. I.c. heeft Hof met overweging dat verzoek door raadsman onvoldoende is onderbouwd, kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat aan verzoek tot aanhouding van onderzoek ttz. ten grondslag gelegde omstandigheid dat verdachte waarschijnlijk niet op de hoogte is van zitting, niet aannemelijk is. Dat oordeel is, gelet op wat is vooropgesteld, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat dagvaarding in h.b. niet aan verdachte in persoon is uitgereikt, terwijl Hof niet heeft vastgesteld dat verdachte anderszins op de hoogte is geraakt van zittingsdatum. Hof had, bij die stand van zaken, afweging dienen te maken tussen alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen. Hof heeft er geen blijk van gegeven die afweging te hebben gemaakt. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: