ECLI:NL:HR:2025:1248
Rechtbank:Hoge Raad
Datum: 09-09-2025
Onderwerp: Opzet
Overige onderwerpen: ECLI:NL:HR:2025:1226
Rechtsgebiedenregister: Strafrecht
Vindplaats: Avdr.nl
Inhoudsindicatie:
Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine en/of MDMA, art. 10a.1.3 Opiumwet. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten m.b.t. redengevendheid van buiten bewezenverklaarde periode gevoerde telefoongesprekken voor bewezenverklaring, bestemmingsvereiste en opzet. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02552.
Uitspraak:
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02538
Datum 9 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 juli 2024, nummer 20-002228-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 44.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2025.