Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Hoge Raad 12 maart 2024 Bekijk alles
ECLI:NL:PHR:2020:1050 Parket bij de Hoge Raad 10 november 2020

ECLI:NL:PHR:2020:1050

Datum: 10-11-2020

Onderwerp: Corona

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht, Jeugdrecht strafrecht

Vindplaats: Avdr.nl

Vordering van de PG tot cassatie in het belang der wet. Betreft een met de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en veiligheid in verband staande afwijking van vormvereisten voor terechtzittingen. In een jeugdstrafzaak heeft het Hof Den Haag de zaak inhoudelijk ter terechtzitting behandeld terwijl de oudste raadsheer, die zich in quarantaine bevond in verband met COVID-19, via Skype for Business aan de berechting deelnam. In de (fysieke) zittingszaal bevonden zich de voorzitter van de meervoudige kamer, een van de raadsheren, de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte. Volgens de Tijdelijke wet COVID-19 moet voor de inhoudelijke behandeling van een strafzaak een fysieke zitting worden gehouden, een videoconferentie kan daarvoor niet in de plaats komen. Het Hof is er vanuit gegaan dat er in deze zaak een volwaardige fysieke zitting is gehouden, ook al was een van de raadheren slechts online met de zitting verbonden. De verdediging en de advocaat-generaal stemden in met de deelname van een lid van de meervoudige kamer aan de inhoudelijke behandeling door middel Skype for Business. De jeugdstrafzaak werd achter gesloten deuren behandeld. De PG gaat in op de wettelijke regeling van zittingsvoorschriften. Het uitstellen van de behandeling om letterlijk aan zittingsvoorschriften te voldoen ook als die geen redelijk doel dienen, kan volgens de PG een excessief formalisme opleveren en strijdig zijn met het beginsel van voortvarendheid. Nu er tussen de procespartijen overeenstemming is over de gang van zaken, het belang van openbaarheid niet speelt omdat de zaak achter gesloten deuren moet plaatsvinden, er geen belangen van derden in het geding zijn en evenmin fundamentele rechten worden geschonden door de wijze van berechting, is het volgens de PG aan de zittingsvoorzitter om te bepalen of de gang van zaken past in de orde van de zitting. Om de Hoge Raad in de gelegenheid te brengen zich over de wijze van behandeling van deze zaak uit te laten heeft de PG in zijn vordering CW als rechtsmiddel geformuleerd dat er in de onderhavige zaak door het Hof geen arrest is gewezen naar aanleiding van een terechtzitting in de zin van het Wetboek strafvordering.

Ga naar uitspraak
Spreker(s)

mr. Ad van der Linden

oud-(kinder)rechter, medewerker Universiteit Utrecht, voorzitter Beroepscollege Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) en van de Regionale Klachtencommissie Jeugd Eemland