Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 april 2024 Rechtbank Gelderland 17 april 2024 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2024 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 april 2024 Rechtbank Limburg 10 april 2024 Bekijk alles
ECLI:NL:PHR:2022:843 Parket bij de Hoge Raad 21 september 2022

ECLI:NL:PHR:2022:843

Datum: 21-09-2022

Onderwerp: De repeterende schenking

Rechtsgebiedenregister: Erfrecht, Personen- en familierecht

Vindplaats: Avdr.nl


A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of in 2013 bij vijf afzonderlijke notariële akten gedane voorwaardelijke schenkingen voor toekomstige jaren voor het schenkingsrecht niet per jaar in aanmerking moeten worden genomen, maar als schenking van een periodieke uitkering in 2013.

Het betreft de beroepen van de Staatssecretaris tegen de uitspraken van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch van 29 juli 2021, nrs. 20/00340; 20/00341, ECLI:NL:GHSHE:2021:2397 en ECLI:NL:GHSHE:2021:2398.

Op 7 maart 2013 zijn vijf afzonderlijke notariële akten van schenking verleden. In elke akte staat dat de ouders van belanghebbende (schenkers) en belanghebbende (begiftigde) hierbij een overeenkomst van schenking sluiten. Ter uitvoering van elke overeenkomst erkennen de ouders een bedrag van € 10.000 schuldig aan iedere belanghebbende, die dat aanvaardt. De inhoud van de akten is vrijwel identiek. Een verschil is dat in vier van de akten staat dat de schenking plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde dat de langstlevende ouder op respectievelijk 1 januari 2014, 1 januari 2015, 1 januari 2016 en 1 januari 2017, in leven is. Eerst opeisbaar bij overlijden van de langstlevende schenker.

De ouders van belanghebbende woonden ten tijde van de schenkingen in Nederland. Het gaat in deze procedure om de aanslag schenkbelasting over het jaar 2013.

Artikel 1, negende lid, van de Successiewet bepaalt dat een gift onder opschortende voorwaarde voor de toepassing van deze wet geacht wordt tot stand te komen op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld. Belanghebbende stelt dat in het onderhavige geval sprake is van vijf afzonderlijke schenkingen. Volgens belanghebbende komt één schenking direct in 2013 tot stand en de vier overige schenkingen in elk van de daarop volgende jaren indien blijkt van vervulling van de opschortende voorwaarde. Aldus zijn er vijf afzonderlijke schenkingen die per stuk blijven onder het per jaar vrijgestelde bedrag.

De Inspecteur stelt daarentegen dat sprake is van een verstrekking van een vorderingsrecht om gedurende een vaststaande tijd op gezette tijdstippen bepaalde bedragen te ontvangen, omdat op één en hetzelfde moment is overeengekomen dat er verschillende vorderingsrechten ontstaan. Daarom heeft de Inspecteur aan belanghebbende over het jaar 2013, wegens een in dat jaar verkregen recht op periodieke uitkeringen, een aanslag schenkbelasting opgelegd.

Het Hof heeft geoordeeld dat de schenkingen als zodanig geen periodieke uitkering vormen, nu voor de toekenning van een periodieke uitkering kenmerkend is dat in één rechtshandeling een (stam)recht wordt geschonken waarbij het totaal aan uit te keren termijnen afhankelijk is van een onzekere gebeurtenis, terwijl in dit geval vijf afzonderlijke rechtshandelingen tot stand zijn gekomen. Het Hof ziet geen reden voor een daarvan afwijkende zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie. Tegen die beoordeling komt de Staatssecretaris thans op in cassatie.

De A-G merkt op dat het uitgangspunt van toepassing van de Successiewet is gelegen in de onderliggende civielrechtelijke verhoudingen. Dat betekent dat per gekozen civielrechtelijke vormgeving – waarvoor naast fiscale ook andere redenen kunnen zijn – moet worden nagegaan wat daarvan de gevolgen zijn voor de toepassing van de Successiewet.


Het middel van de Staatssecretaris ziet op schending van artikel 18, tweede lid, van de Successiewet, onder aanvoering van de klachten dat:
a. sprake is van een voortdurende, of op vastgestelde tijdstippen terugkerende prestatie, en geen betaling in termijnen;
b. de civielrechtelijke vorm (vijf afzonderlijke akten) niet maakt dat sprake is van meerdere overeenkomsten;
c. de in de tweede tot en met de vijfde schenkingsakte opgenomen opschortende voorwaarde van in leven zijn van de langstlevende ouder, in wezen een ontbindende voorwaarde vormt, die wordt vervuld als op het overeengekomen toekenningsmoment beide ouders niet meer in leven zouden zijn.


Volgens de A-G stuit klacht b af op de ’s Hofs feitelijke en niet onbegrijpelijke beoordeling dat hier – civielrechtelijk – sprake is van vijf afzonderlijke schenkingen.

Klacht c stuit af op de inhoud van de notariële akten en ’s Hofs uitleg daarvan, dat sprake is van een opschortende voorwaarde.

Het komt de A-G voor dat sprake is van schenking van een periodieke uitkering als een stamrecht wordt geschonken op grond waarvan de begiftigde jegens de schenker voorwaardelijk objectief recht heeft op uitkeringen door de schenker, zonder enige nadere beslissing van de schenker welke niet haar oorzaak heeft in het stamrecht.

In casu is echter sprake van vijf afzonderlijke schenkingen. Daaruit naderhand volgende betalingen vinden hun oorzaak telkens in een van die schenkingen en zijn volgens de A-G dus niet te herleiden tot één stamrecht, zodat hier geen sprake is van schenking van een periodieke uitkering in 2013. Dat betekent dat klacht a evenmin doel treft, zodat het middel in zijn geheel faalt.

De conclusie strekt ertoe dat beide beroepen in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dienen te worden verklaard.

Ga naar uitspraak
Spreker(s)

prof. mr. Freek Schols

hoogleraar Radboud Universiteit privaatrecht, in het bijzonder notarieel recht