Raad van State 7 maart 2012

ECLI:NL:RVS:2012:BV8631

Datum: 07-03-2012

Onderwerp(en): Arrest Chavez - Vilchez

Rechtsgebiedenregister: Vreemdelingenrecht

De vreemdeling betoogt terecht dat de arresten Ruiz Zambrano en Dereci ook betekenis hebben in een geval als het hare, waarin de kinderen, als minderjarige burgers van de Unie, zich buiten het grondgebied van de Unie bevinden. Uit voormelde arresten volgt dat het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ten minste het verblijf van die burger op het grondgebied van de Unie inhoudt. Hoewel de feitelijke situatie in voormelde arresten zodanig was dat de desbetreffende minderjarige burgers van de Unie zich op het grondgebied van de Unie bevonden, is de ontzegging van het effectieve genot van dat verblijfsrecht, in geval van een minderjarige burger van de Unie die ten laste komt van een ouder, staatsburger van een derde land, en die door de mate van afhankelijkheid van die ouder feitelijk verplicht wordt het grondgebied van de Unie met deze te verlaten, niet anders dan in geval hem feitelijk de toegang tot het grondgebied van de Unie wordt ontzegd, omdat aan de ouder van wie hij in vorenbedoelde zin afhankelijk is geen toegang tot het grondgebied van de Unie wordt verleend. In beide gevallen is immers evenzeer sprake van de uitzonderlijke situatie, als bedoeld in punt 67 van het arrest Dereci, dat de nuttige werking wordt ontnomen aan het staatsburgerschap van de Unie dat de desbetreffende minderjarige toekomt. De vreemdeling betoogt evenzeer terecht dat het besluit van 6 oktober 2010 in strijd is met artikel 20 van het VWEU en dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat, wanneer zij in Indonesië verblijft, de kinderen bij hun grootouders in Nederland kunnen verblijven. Daargelaten of de grootouders feitelijk bereid en in staat zijn de kinderen op te vangen, is, zoals is vermeld in punt 44 van het arrest Ruiz Zambrano en herhaald in punt 65 van het arrest Dereci, de vraag of minderjarige burgers van een lidstaat van de Unie die ten laste komen van hun ouders, staatsburgers van een derde land, het grondgebied van de Unie moeten verlaten indien aan die ouders het recht wordt ontzegd in de desbetreffende lidstaat te verblijven, bij het Hof slechts gerezen vanuit het enkele uitgangspunt dat een dergelijke weigering de kinderen zal verplichten de ouders te volgen. Bij de beantwoording van die vraag heeft het Hof derhalve uitsluitend relevant geacht of de desbetreffende kinderen, door beide ouders (in het geval van Ruiz Zambrano) of één van beide ouders (in het geval van Dereci) te volgen, feitelijk worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In dit geval is de vreemdeling de enige ouder van de kinderen en zijn zij, omdat zij minderjarig zijn en te haren laste komen, derhalve verplicht haar te volgen in haar verblijf in Indonesië. Gelet hierop heeft de minister in het besluit van 6 oktober 2010 niet deugdelijk gemotiveerd dat de daarin vervatte weigering de vreemdeling een mvv te verlenen, niet tot gevolg heeft dat haar kinderen feitelijk niet op het grondgebied van de Unie kunnen verblijven.

Spreker(s)