ECLI:NL:RVS:2025:5376
Rechtbank:Raad van State
Datum: 07-11-2025
Onderwerp: Onderzoek gevolgen voor kind
Overige onderwerpen: Afdeling7 november 2025 IUitspraak van 7 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5376Casus:
Rechtsgebiedenregister: Vreemdelingenrecht
Vindplaats: Avdr.nl
Inhoudsindicatie:
Bij besluit van 8 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Uitspraak:
BRS.25.000404
ECLI:NL:RVS:2025:5376
Datum uitspraak: 7 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 19 maart 2025 in zaak nr. NL24.40030 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 8 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 16 september 2024 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. H.M.A. Breuls, advocaat in Dalfsen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 2012 en heeft de Eritrese nationaliteit. Zij beoogt gezinshereniging bij haar gestelde vader (hierna: referent). Referent heeft op 8 maart 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verkregen. Hij heeft op 14 april 2016 mvv-aanvragen in het kader van nareis ingediend voor zijn echtgenote (de gestelde stiefmoeder van betrokkene), zoon (de gestelde stiefbroer van betrokkene), pleegzoon en betrokkene. De minister heeft die aanvragen destijds afgewezen en die afwijzingen staan in rechte vast.
1.1. Betrokkene heeft in 2018 samen met haar gestelde stiefmoeder en stiefbroer geprobeerd om de grens naar Ethiopië over te steken om daar DNA-onderzoek te laten doen. Dat is alleen betrokkene niet gelukt. Op 24 augustus 2021 heeft referent opnieuw mvv-aanvragen in het kader van nareis ingediend voor zijn echtgenote, zoon en betrokkene. Referent is op 23 september 2021 genaturaliseerd, terwijl hij in afwachting was van een besluit op de mvv-aanvragen. De minister heeft de mvv-aanvragen voor de echtgenote en zoon van referent ingewilligd. Zij verblijven inmiddels bij referent in Nederland.
De minister heeft de mvv-aanvraag voor betrokkene in het besluit van 8 mei 2023 afgewezen, omdat zij haar identiteit en familierechtelijke relatie met referent en haar achterblijvende moeder niet aannemelijk heeft gemaakt en betrokkene niet beschikbaar is voor nader onderzoek. In het besluit op bezwaar van 16 september 2024 heeft de minister daarnaast opgemerkt dat referent vanwege zijn naturalisatie niet voldoet aan de formele vereisten voor afgifte van de gevraagde mvv.
1.2. In april 2024 heeft betrokkene opnieuw geprobeerd om de grens met Ethiopië over te steken om DNA-onderzoek te laten doen. Zij is opnieuw aan de grens tegengehouden, is toen gedetineerd en heeft 2,5 maand in de gevangenis gezeten. Op dit moment verblijft zij bij een tante in Eritrea. De gestelde moeder van betrokkene verblijft inmiddels in Nederland en is sinds 16 december 2024 in het bezit een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.3. De rechtbank heeft overwogen dat de minister in het kader van de naturalisatie van referent de datum van de eerste mvv-aanvraag op 14 april 2016 als peilmoment moet aanmerken. Omdat referent toen nog niet was genaturaliseerd, mag de minister de naturalisatie volgens de rechtbank niet tegenwerpen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat, omdat is gebleken dat het voor betrokkene nagenoeg onmogelijk is om in Ethiopië DNA af te staan, de minister verplicht is om te onderzoeken of zij zou kunnen samenwerken met een van de andere lidstaten die wel een ambassade of diplomatieke vertegenwoordiging hebben in Eritrea, zodat betrokkene in Eritrea DNA-onderzoek kan laten doen. Wanneer zou blijken dat zo’n samenwerking niet mogelijk is, rust volgens de rechtbank op de minister de verplichting om op zoek te gaan naar andere mogelijkheden voor bewijslevering door betrokkene.
Naturalisatie van referent tijdens de nareisprocedure
2. De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister ten onrechte de naturalisatie van referent ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing van de aanvraag, omdat zij de verblijfsstatus van referent ten tijde van de oorspronkelijke mvv-aanvraag op 14 april 2016 als uitgangspunt had moeten nemen. De minister betoogt dat zij bij een opvolgende mvv-aanvraag in het kader van nareis de datum van die opvolgende aanvraag als uitgangspunt moet nemen. Vervolgens betoogt de minister dat zij ook feiten en omstandigheden bij haar besluitvorming mag betrekken die zich na de mvv-aanvraag hebben voorgedaan, waaronder de omstandigheid dat een referent is genaturaliseerd.
2.1. De minister betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte de datum van de eerste mvv-aanvraag op 14 april 2016 als uitgangspunt heeft genomen voor de beoordeling van de verblijfsstatus van referent. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3697, onder 7.1, volgt immers dat de minister moet beoordelen of een referent op het moment van de opvolgende aanvraag een verblijfsvergunning asiel heeft.
2.2. Ten tijde van de mvv-aanvraag van 24 augustus 2021 was referent nog niet genaturaliseerd. De minister betoogt ten onrechte dat zij in deze nareisprocedure mag betrekken dat referent na de mvv-aanvraag is genaturaliseerd. Referent heeft het recht om een verzoek tot naturalisatie in te dienen. Naar het oordeel van de Afdeling mag de uitoefening van dat recht geen afbreuk doen aan de lopende nareisprocedure, omdat die uitoefening daarmee een nieuwe afwijzingsgrond tijdens de procedure zou vormen. De Afdeling ziet, anders dan de minister betoogt, in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 geen grondslag hiervoor. Uit artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 volgt dat een vreemdeling op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling feitelijk moet behoren tot zijn gezin. Hieruit volgt dat de minister bij de beoordeling van een aanvraag op grond van die bepaling of van een bezwaar gericht tegen een besluit op zo’n aanvraag, niet mag betrekken dat een referent door naturalisatie niet langer een vreemdeling is in de zin van artikel 1 van de Vw 2000. Een dergelijke handelwijze zou het recht dat een referent heeft om te verzoeken om naturalisatie nodeloos frustreren. Dat de minister in deze zaak pas in het besluit op bezwaar heeft onderkend dat referent is genaturaliseerd, laat daarom onverlet dat de minister referent dat niet heeft mogen tegenwerpen.
2.3. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande, al is het op deels onjuiste gronden, terecht overwogen dat de minister de mvv-aanvraag voor betrokkene niet mag afwijzen, omdat referent op 23 september 2021 is genaturaliseerd. De grief slaagt daarom niet.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. Het hoger beroep is alleen gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het peilmoment voor de naturalisatie van referent en niet tegen de overige overwegingen van de uitspraak van de rechtbank. De minister zal dus een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van betrokkene, met inachtneming van deze uitspraak en de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep ongegrond;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025
1028