Hoge Raad 10 november 2023 Raad van State 8 november 2023 Raad van State 1 november 2023 Rechtbank Rotterdam 31 oktober 2023 Raad van State 25 oktober 2023 Bekijk alles
ECLI:NL:RVS:2012:BW5287 Raad van State 9 mei 2012

ECLI:NL:RVS:2012:BW5287

Datum: 09-05-2012

Onderwerp: Koning geen orgaan

Rechtsgebiedenregister: Bestuursrecht

Vindplaats: Extern



Besluit waarbij het college aan appellant heeft meegedeeld dat spoedeisende bestuursdwang is toegepast door de auto van appellant weg te slepen.
Appellant heeft op 22 03 2007 een aan het college gericht bezwaarschrift ingediend bij het gerechtshof te Amsterdam. Uit brieven van het gerechtshof aan appellant volgt dat de brief van 22 03 2007 op die dag bij de griffie van het gerechtshof is ingekomen en dat het gerechtshof deze brief niet naar het college heeft doorgezonden. Bij brief van 29 10 2009 heeft appellant alsnog bezwaar bij het college gemaakt.
Appellant betoogt terecht dat de Rb. niet heeft onderkend dat op grond van art. 6:15 lid 1 Awb een doorzendplicht voor het gerechtshof gold, omdat daar administratieve rechters zetelen. De omstandigheid dat die rechters niet zaken als de onderhavige, maar fiscale kwesties behandelen, maakt het gerechtshof in zoverre slechts een onbevoegde administratieve rechter, op wie de doorzendplicht rust. Dit leidt echter niet tot het door appellant beoogde doel.
Op grond van art. 6:15 lid 3 Awb is het tijdstip van indiening van het bezwaarschrift bij het gerechtshof bepalend voor de vraag of appellant tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 11 03 2007, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2000/01, 26 523, nr. 11, blz. 23) vermeldt uitdrukkelijk dat deze vangnetclausule daarin is opgenomen voor die gevallen waarin men het expres verkeerd doet. Bij misbruik van procesrecht geldt de eerste datum van indiening bij een onbevoegd orgaan niet, maar geldt de regeling dat het bezwaarschrift op tijd en op de goede plaats binnen moet zijn.
Het besluit van 11 03 2007 is van een juiste rechtsmiddelenvoorlichting voorzien, zodat het voor appellant duidelijk was dat bezwaar tegen dat besluit gemaakt moest worden bij het college. Ter zitting bij de Afdeling heeft appellant verklaard dat hij desondanks het tegen dat besluit gerichte bezwaarschrift van 22 03 2007 bij het gerechtshof heeft afgegeven, omdat hij destijds niet in Utrecht woonde, wist van de doorzendplicht en een postzegel wilde besparen. De Afdeling is onder deze omstandigheden van oordeel dat appellant kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht heeft gemaakt. Als tijdstip van indiening geldt daarom niet het tijdstip van indiening bij het gerechtshof. Appellant had ervoor moeten zorgen tijdig bezwaar bij het college te maken. Onbestreden is dat het college eerst op 30 10 2009 een bezwaarschrift tegen het besluit van 11 03 2007 heeft ontvangen. De omstandigheid dat dit bezwaarschrift buiten de wettelijke bezwaartermijn bij het college is ingekomen, komt voor rekening en risico van appellant. De Rb. heeft daarom terecht, zij het niet op juiste gronden, geoordeeld dat het college het bezwaar terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.

Ga naar uitspraak