Rechtbank Midden-Nederland 29 januari 2026 Raad van State 28 januari 2026 Raad van State 28 januari 2026 Raad van State 28 januari 2026 Raad van State 21 januari 2026 Bekijk alles
ECLI:NL:RBAMS:2025:10167 Rechtbank Amsterdam 17 december 2025

ECLI:NL:RBAMS:2025:10167

Rechtbank:Rechtbank Amsterdam

Datum: 17-12-2025

Onderwerp: Niet terugbetaalde / verrekende KOT

Rechtsgebiedenregister: Sociaal-zekerheidsrecht, Bestuursrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

Wht. De dienst toeslgaen mocht het bedrag wat van het schuldsaneringstraject van eiseres is kwijtgescholden in mindering brengen op het compensatiebedrag dat eiseres ontvangt. Er is immers weldgelijk sprake van een teruggevorderd bedrag dat feitelijk niet is terugbetaald. De zogenoemde schone lei leidt er niet toe dat schulden in juridische zin zijn verdwenen, maar alleen dat een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, niet langer afdwingbaar is.


Uitspraak:

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 24/4152

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.S. Pot),

en

de Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het aan haar definitief toegekende compensatiebedrag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

1.1.

Met een besluit van 22 december 2022 heeft verweerder aan eiseres over de jaren
2012-2014 een definitief compensatiebedrag toegekend. Met het besluit van 27 juni 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.

1.2.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde deelgenomen. Namens Dienst Toeslagen zijn er twee gemachtigden op de zitting verschenen.

1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Eiseres meende dat zij meer heeft afgelost dan waar verweerder vanuit gaat. Voor haar is niet duidelijk hoe de bedragen die zij heeft overgemaakt aan de schuldhulpverlening zijn afgelost op de kinderopvangtoeslagschulden per jaar en wat van haar ‘toeslagenschuld’ is overgebleven. Verweerder zou aan de hand van de LIC overzichten van de jaren 2017-2019 nagaan wat eiseres per toeslagschuld heeft afbetaald. Partijen zijn met elkaar in overleg gegaan zodat eiseres vragen kon stellen en verweerder een toelichting kon geven. Vervolgens heeft eiseres de rechtbank 9 juli 2025 hierover geïnformeerd. Verweerder heeft daar op 10 en 24 juli 2025 nader op gereageerd.

1.5.
De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.

Wat aan deze procedure voorafging

2. Eiseres is erkend gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Zij heeft op 21 december 2020 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (KOT). Verweerder heeft vervolgens gekeken voor de jaren 2012-2015 of en waar zij fouten heeft gemaakt bij de beoordeling van de KOT.

3. Verweerder heeft in het besluit van 26 december 2022 aan eiseres uitgelegd dat zij in de jaren 2012-2014 fouten heeft gemaakt. Zo heeft zij in deze jaren vooringenomen gehandeld. Voor 2015 is geen recht op compensatie omdat eiseres op 14 december 2014 haar toeslag per 1 november 2014 heeft stopgezet. Daarnaast heeft eiseres geen recht op compensatie volgens de hardheidsregeling. Eiseres heeft in bezwaar aangevoerd dat verweerder in de toekenning van de compensatie geen rekening heeft gehouden met de door haar terugbetaalde gelden in 2017-2019. Met het besluit van 27 juni 2024 heeft verweerder geprobeerd eiseres hier meer toelichting over te geven, maar volgens eiseres is de toegekende compensatie niet correct.

Standpunt eiseres

4. Eiseres heeft na de schorsing aangegeven dat zij de gegeven uitleg van verweerder niet vertrouwt. De verrekening van de door haar terugbetaalde bedragen vanuit haar MNSP-regeling zijn nog steeds niet goed uitgelegd door verweerder. De uitleg in de bestreden kan geen standhouden.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder het compensatiebedrag van eiseres op de juiste wijze heeft berekend en gemotiveerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

7. De rechtbank stelt vast dat na de schorsing enkel nog het jaar 2014 in geschil is tussen partijen. Zij zal daarom enkel dit jaar beoordelen.

8. Uit het op 10 juli 2025 overlegde LIC overzicht 2014 volgt dat een schuld met betrekking tot de kinderopvangtoeslag 2014, met een totaal bedrag van € 10.032,-, niet is afbetaald door eiseres. Deze schuld staat op het LIC overzicht 2014 op 16 augustus 2019 aangemerkt als “oninbaar geleden (MSNP)”, vervolgens op 30 september 2019 als “administratief verwijderd (i.v.m. MSNP)” en “toeslagenaffaire € 10.032,- (bedrag verwijderd)”. Dit bedrag is in het kader van finale kwijting kwijtgescholden. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres deze schuld in het kader van haar schuldsaneringsregeling niet hoefde af te betalen, dan wel heeft afbetaald.

9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat als gevolg van deze kwijtschelding er een zogeheten schone lei is ontstaan. Om die reden is zij van mening dat de kwijtgescholden schuld niet bij component G van de compensatieberekening had mogen worden afgetrokken. Een kwijtgescholden schuld is volgens eiseres geen openstaande vordering, zij hoefde dit bedrag immers niet meer te betalen. Het bedrag is namelijk juridisch afgewikkeld. Het bedrag is niet kwijtgescholden buiten haar om, maar formeel opgelost binnen een wettelijk traject. Een verrekening in de compensatie is dan niet gerechtvaardigd.

10. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Verweerder heeft dit bedrag in mindering mogen brengen. In de memorie van toelichting van de Wht heeft de wetgever vermeld dat het compensatiebedrag wordt verminderd indien de kinderopvangtoeslag op een later moment, bijvoorbeeld na bezwaar, alsnog is toegekend of indien de gedupeerde ouder het teruggevorderde bedrag niet heeft betaald. Met verwijzing naar de uitspraak van11 juni 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), is de rechtbank van oordeel dat daarmee na een schuldsaneringstracject niet anders moet worden omgegaan. Er is wel degelijk sprake van een teruggevorderd bedrag dat feitelijk niet is terugbetaald. De zogenoemde schone lei leidt er niet toe dat schulden in juridische zin zijn verdwenen, maar alleen dat een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, niet langer afdwingbaar is. Dat eiseres als gevolg van de afronding van het schuldsaneringstraject niet langer verplicht was om het bedrag terug te betalen, betekent dus niet dat verweerder dit bedrag zou moeten aanmerken als een terugvordering die ook daadwerkelijk is terugbetaald, of dat hij dit bedrag opnieuw aan eiseres zou moeten betalen in de vorm van compensatie van ten onrechte teruggevorderde kinderopvangtoeslag.

11. Vaststaat daarnaast dat er in 2014 wel opvang is genoten. De omstandigheid dat de toeslag niet op de rekening van eiseres maar op de rekening van het kinderdagverblijf is gestort is hierbij niet relevant. De kinderen van eiseres hebben immers opvang genoten en eiseres heeft daar in zoverre profijt van gehad. Verweerder mocht het bedrag van € 10.032,- op grond van artikel 2.3, eerste lid, onder a, van de Wht dan ook verrekenen met component G. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder het compensatiebedrag van eiseres op de juiste wijze heeft berekend en gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van haar proceskosten bestaat geen aanleiding.

13. Wel ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht. Eiseres heeft in bezwaar tijdens de hoorzitting al aangegeven dat zij meende dat zij meer had afgelost en dat zij inzicht wilde in haar aflossingen. Hoewel het na de schorsing ingediende LIC-overzicht 2014 ten aanzien van het bedrag van € 10.032,- niet is gewijzigd, is dit LIC-overzicht voor het overige wel uitgebreider. Er is dan ook geen sprake van een motiveringsgebrek van het bestreden besluit, maar het is wel goed voorstelbaar dat eiseres in beroep is gekomen omdat zij geen inzicht had gekregen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van der Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 14.

ECLI:NL:RVS:2025:2617.

Spreker(s)

mr. Elsa van de Loo

advocaat Stichting PILP, lid van de bezwaarschriftenadviescommissie Herstel Kinderopvangtoeslag, Plaatsvervangend lid bij het College voor de Rechten van de Mens