Rechtbank Gelderland 27 september 2017

ECLI:NL:RBGEL:2017:4953

Datum: 27-09-2017

Onderwerp(en): Overzicht uitspraken: Onderzoeksverplichting college

Rechtsgebiedenregister: Sociaal-zekerheidsrecht

Toekenning maatwerkvoorziening individuele begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor periode van een jaar; procesbelang aanwezig. Beroep richt zich tegen urenomvang en (hoogte) uurtarief.

Verweerder heeft zich, gelet op de beleidsregels terzake, bij de toekenning gebaseerd op objectieve criteria en is er geen sprake van willekeur. Dat een verdergaande standaardisering bij de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp onder de Wmo 2015 wel mogelijk is, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft in bezwaar voldaan aan de aan een adequaat onderzoek en juiste motivering van het besluit te stellen eisen.

Verweerder heeft zich bij het toegekende uurtarief gebaseerd op de nadere regelgeving waarin staat dat bij de hoogte van het pgb gedifferentieerd wordt tussen aanbieders (100% van het maximale uurtarief) en ZZP-ers (90% van het maximale uurtarief) en tevens op de bijlage bij die regelgeving, waarin de tarieven per uur zijn weergegeven voor de specifieke vormen van begeleiding, zoals deze met de zorgaanbieders zijn afgesproken. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803). In deze uitspraak heeft de CRvB overwogen dat op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015 in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb – dat toereikend moet zijn – wordt vastgesteld. Uit de uitspraak volgt voorts dat delegatie door de gemeenteraad van de regelgevende bevoegdheid aan het college, ook in het geval van een medebewindswet, in beginsel mogelijk is, maar dat, evenals onder de tot 1 januari 2015 geldende Wmo 2007, de essentialia van het voorzieningenpakket in de verordening dienen te worden vastgelegd (zie de uitspraak van de CRvB van 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133).

De rechtbank is van oordeel dat in geding zijnde tariefdifferentiatie hiertoe dient te worden gerekend. Vastgesteld wordt dat in de Verordening onvoldoende is bepaald over de differentiatie. Dit betekent dat de bepalingen in de nadere regelgeving onverbindend zijn.

Spreker(s)

mr-Erik-Klein-Egelink-D01.jpg
mr. Erik Klein Egelink

senior rechter Rechtbank Gelderland

Bekijk profiel

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: