ECLI:NL:RBGEL:2020:4402

Rechtbank:Rechtbank Gelderland

Datum: 28-08-2020

Onderwerp: Slapend dienstverband

Rechtsgebiedenregister: Sociaal-zekerheidsrecht, Ambtenarenrecht, Arbeidsrecht

Vindplaats: Extern


Inhoudsindicatie:

Belediging van een ambtenaar in functie door in diens tegenwoordigheid een jas te dragen met daarop de tekst A.C.A.B., art. 266.1 jo. 267.2 Sr. Vermelding A.C.A.B. op jas verdachte beledigend? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3114 m.b.t. opzettelijke belediging d.m.v. dragen van jack met opschrift A.C.A.B. Hof is ervan uitgegaan dat afkorting A.C.A.B., overeenkomstig opvatting van in bewezenverklaring genoemde verbalisanten, een afkorting is van ‘All Cops Are Bastards’ en dat verdachte die betekenis kende. Daartoe heeft Hof o.m. overwogen dat er geen enkele aanwijzing is dat verdachte die betekenis niet kende, waarbij Hof in aanmerking heeft genomen weigering van verdachte iets te verklaren over mogelijk andere betekenis van deze letters, die op door verdachte gedragen jas waren aangebracht. Verder heeft Hof geoordeeld dat verdachte deze verbalisanten opzettelijk heeft beledigd door zich gekleed in die jas, met daarop afkorting A.C.A.B. voor een ieder goed zichtbaar, te begeven in een situatie waarin hij politieagenten zou tegenkomen, te weten tijdens het kraken van een woning, waarbij Hof in aanmerking heeft genomen dat verdachte zich aan ter plaatse gekomen verbalisanten als voorman van groep krakers heeft opgeworpen door verbalisanten te benaderen en ongevraagd aan te spreken. ‘s Hofs oordelen geven niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.


Uitspraak:

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

Zaakgegevens: 8265112 CV EXPL 20-71 \ 498

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

[eisende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. A.A.M. van der Zandt,

tegen

de stichting

Stichting Katholieke Universiteit,
tevens handelend onder de naam Radboud Universitair Medisch Centrum/ Radboudumc,
gevestigd te Nijmegen,
gedaagde partij
gemachtigde: mr. H.A. Hoving en mr. B.M.C. Stenden.

Partijen worden hierna [eisende partij] en Radboudumc genoemd.

1Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 mei 2020
- de akte aan de zijde van werknemer van 17 juni 2020 en
- de antwoordakte aan de zijde van Radboudumc van 14 augustus 2020.

1.2.
Vervolgens is de zaak voor vonnis verwezen.

2De verdere beoordeling

2.1.
Bij tussenvonnis is partijen verzocht of zij instemmen met schriftelijke afdoening nu vanwege de Coronamaatregelen de mogelijkheden tot het houden van mondelinge behandelingen beperkt is, alsmede zich bij akte nader uit te laten. Beide partijen hebben met schriftelijke afdoening ingestemd.

2.2.

In de kern gaat het om de vraag of Radboudumc schadeplichtig is nu zij, ondanks verzoeken en vervolgens sommaties van [eisende partij] , niet heeft meegewerkt aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder betaling van een transitievergoeding aan [eisende partij] voordat de arbeidsovereenkomst vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van [eisende partij] op 9 juli 2019 van rechtswege eindigde.

[eisende partij] meent van wel, samengevat, omdat Radboudumc, indachtig de Xella-uitspraak, heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap door niet aan beëindiging, bijvoorbeeld middels een vaststellingsovereenkomst, mee te werken. Aldus heeft Radboudumc [eisende partij] alleen maar schade berokkend nu [eisende partij] door de weigerachtige houding van Radboudumc de transitievergoeding is misgelopen, terwijl Radboudumc die geheel of grotendeels gecompenseerd had kunnen krijgen.
Radboudumc stelt daarentegen, samengevat, dat van een slapend dienstverband geen sprake was nu zij na ommekomst van twee jaar arbeidsongeschiktheid, daartoe op grond van de CAO-UMC verplicht, nog 70% van het gebruikelijke loon heeft doorbetaald (r.o.2.1. Xella) en de arbeidsovereenkomst op 29 april 2019 derhalve niet inhoudsloos was geworden. Bovendien komt Radboudumc, zo stelt zij, niet in aanmerking voor compensatie en was zij om die reden niet gehouden mee te werken aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Tot slot stelt Radboudumc dat de rechtszekerheid aan toewijzing van de vordering van [eisende partij] in de weg staat.

2.3.
Nu het meest verstrekkende verweer van Radboudumc is dat in dit geval van een slapend dienstverband geen sprake is, zal dat verweer allereerst worden besproken. Ter zake wordt als volgt overwogen.

2.4.

De Hoge Raad heeft in de zogenoemde Xella-uitspraak een slapend dienstverband gedefinieerd als ‘een dienstverband dat een werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid van een werknemer niet heeft opgezegd, hoewel hij daartoe wel bevoegd is, en waarbij hij de werknemer geen loon meer betaalt’.
Radboudumc heeft in de onderhavige zaak, daartoe op grond van de toepasselijke CAO-UMC verplicht, ook na ommekomst van de 104-weken periode van arbeidsongeschiktheid het loon - tot 70% - aan [eisende partij] doorbetaald. Daarbij behield [eisende partij] recht op CAO-verhogingen, eenmalige CAO-uitkeringen, de eindejaarsuitkering, voortzetting pensioenopbouw, vakantietoeslag en het extra persoonlijk budget. Onder deze omstandigheden is er, gelet op de hiervoor door de Hoge Raad gegeven definitie, van een slapend dienstverband geen sprake. Die uitleg strookt ook met de achtergrond van de totstandkoming van de Wet Compensatieregeling transitievergoeding, waarmee beoogd werd belemmeringen voor werkgevers tot de beëindiging van dienstverbanden die inhoudsloos waren geworden, onder betaling van een transitievergoeding, weg te nemen. Dat door de wetgever beoogde doel heeft vervolgens ten grondslag gelegen aan de door de Hoge Raad in de Xella-uitspraak geformuleerde norm van goed werkgeverschap ter zake de beëindiging van slapende dienstverbanden onder betaling van een transitievergoeding. In dit geval was na 104-weken arbeidsongeschiktheid, te weten op 29 april 2019, van een inhoudsloos geworden arbeidsovereenkomst geen sprake. Nu van een slapend dienstverband geen sprake was, was Radboudumc niet op grond van het goed werkgeverschap, zoals de Hoge Raad daar in de Xella-uitspraak invulling aan heeft gegeven, gehouden haar medewerking te verlenen aan de door [eisende partij] verzochte beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder betaling van een transitievergoeding, voor de datum waarop de arbeidsovereenkomst door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van rechtswege eindigde.
Er is geen grond aan te nemen dat de norm van goed werkgeverschap zo ver strekt dat ook in geval als het onderhavige, dat niet onder de definitie van een slapend dienstverband valt zoals door de Hoge Raad in de Xella-uitspraak tot uitgangspunt is genomen, de Radboudumc gehouden is om op verzoek van de [eisende partij] mee te werken aan beëindiging van het dienstverband onder betaling van de transitievergoeding.

2.5.
De vordering van [eisende partij] dient reeds om die reden te worden afgewezen. Derhalve wordt aan de overige stellingen van partijen niet meer toegekomen.

2.6.

[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

3De beslissing

De kantonrechter:

3.1.
wijst de vorderingen af;

3.2.
veroordeelt [eisende partij] in de kosten van de procedure aan de zijde van Radboudumc begroot op € 1.081,5 ter zake salaris gemachtigde;

3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op