Rechtbank Midden-Nederland 16 december 2020

ECLI:NL:RBMNE:2020:5464

Datum: 16-12-2020

Onderwerp(en): Annotatie: Rechtbank Midden-Nederland 16 december 2020 | Sluiting Notariskantoor

Rechtsgebiedenregister: Bestuursrecht

Verweerder heeft aan de sluiting ten grondslag gelegd dat uit bestuurlijke rapportages volgt dat het aannemelijk is dat verzoeker met zijn notariskantoor het criminele circuit faciliteert, en dat zijn notariskantoor als zodanig bekend staat in het criminele circuit. Dit levert volgens verweerder op zichzelf een gevaar op voor de openbare orde. Verweerder heeft daarom aanleiding gezien om het notariskantoor op grond van artikel 2:43a van de APV te sluiten.

Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid kunnen overwegen dat het op basis van de bestuurlijke rapportages aannemelijk is dat verzoeker heeft witgewassen of criminele activiteiten heeft gefaciliteerd. In het besluit staan acht voorbeelden van verdachte transacties. Het is echter niet duidelijk wat de concrete rol en wetenschap van verzoeker is geweest bij deze diverse transacties en waarom dit volgens verweerder leidt tot de conclusie dat aannemelijk is dat verzoeker heeft witgewassen en criminele activiteiten heeft gefaciliteerd. Verweerder moet dit nader motiveren.

Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het concreet voorzienbaar is dat de openbare orde zal worden verstoord door de aan verzoeker verweten gedragingen en dat deze verstoring een actuele dreiging vorm voor de ordelijke gang van zaken. Omdat uit de toelichting van artikel 2:43a van de APV en de beleidsregels volgt dat hiervan sprake moet zijn voor de toepassing van de sluitingsbevoegdheid, zal verweerder dit in de beslissing op bezwaar nader moeten motiveren.

De voorzieningenrechter is ten slotte van oordeel dat verweerder ten onrechte niet alle door verzoeker genoemde belangen kenbaar en in voldoende mate afgewogen. Verzoeker is op het moment niet werkzaam als notaris omdat hij geschorst is. De belangen van de waarneemster van het kantoor (daaronder begrepen het kunnen blijven bedienen van de bonafide klantenkring) en de negen werknemers van verzoeker bij het openblijven van het kantoor heeft verweerder niet concreet afgewogen tegen het belang om direct tot sluiting over te gaan.

Alles afwegend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft omdat het primaire besluit op een aantal punten onvoldoende is gemotiveerd. De belangen van verzoeker en zijn medewerkers moeten op het moment zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom toe.

Spreker(s)