Gerechtshof Amsterdam 30 juni 2026 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2026 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 juni 2026 Rechtbank Midden-Nederland 9 juni 2026 Kamer voor het notariaat in het ressort 's-Hertogenbosch 8 juni 2026 Bekijk alles
ECLI:NL:RBMNE:2026:2762 Rechtbank Midden-Nederland 8 april 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:2762

Rechtbank:Rechtbank Midden-Nederland

Datum: 08-04-2026

Rechtsgebiedenregister: Erfrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

Erfrecht, quasi-wettelijke verdeling, afwikkelingsbewind, uitleg bepaling in testament (art. 4:46 BW) over directe opeisbaarheid deel geldvordering kinderen.


Uitspraak:

RECHTBANK Midden-Nederland

Erfrecht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/593680 / BE ZA 25-26

Vonnis van 8 april 2026

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende in [woonplaats] ,2. [eiser sub 2],
wonende in [woonplaats] ,3. [eiseres sub 3],
wonende in [woonplaats] ,
eisers in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna samen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.A. Weenink, werkzaam in Amsterdam,

tegen

[gedaagde]
,
in haar hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder, althans van mede-vereffenaar, van de nalatenschap van de heer [erflater] , en in persoon,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. Mos, werkzaam in Nieuwegein.

1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening (op grond van artikel 223 Rv) met producties 1 t/m 17,
- de conclusie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak met producties 1 t/m 7,
- het verzoek van [gedaagde] om een mondelinge behandeling te houden voordat in het incident wordt beslist (op grond van artikel 208 lid 1 Rv jo artikel 87 lid 8 Rv), waarop de rechtbank heeft bepaald dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden in het incident en de hoofdzaak,
- de akte overlegging producties met wijziging van eis van [eisers] met producties 18 t/m 24,
- productie 8 van [gedaagde] .

1.2.
Op 12 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de standpunten van partijen verder toegelicht. Mr. Weenink heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen, die hij heeft overhandigd. Partijen hebben vragen beantwoord van de rechtbank. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Op verzoek van partijen is de procedure vervolgens twee weken aangehouden voor schikkingsonderhandelingen.

1.3.
Partijen hebben daarna om een vonnis gevraagd. [eisers] hebben ook nog hun eis verminderd. De rechtbank heeft daarop bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2Waar gaat de zaak over?

2.1.
Op [datum] 2024 is de vader van [eisers] , de heer [erflater] (hierna: erflater), overleden. Hij had een relatie met [gedaagde] en woonde met haar samen.

2.2.
Erflater heeft in een testament over zijn nalatenschap beschikt. Daarin heeft hij een aantal legaten opgenomen en [gedaagde] tot erfgenaam benoemd voor een honderdste deel van zijn nalatenschap en [eisers] voor het overige, ieder voor een derde deel. Erflater heeft [gedaagde] tot executeur en tot afwikkelingsbewindvoerder benoemd en die benoemingen heeft zij aanvaard. [eisers] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. [gedaagde] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard en een ruimschoots voldoende-verklaring afgelegd, zodat de nalatenschap niet hoeft te worden vereffend.

2.3.
Erflater heeft verder, kort gezegd, in zijn testament bepaald dat zijn nalatenschap moet worden verdeeld als ware er sprake van een wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 BW. Alle goederen moeten aan [gedaagde] worden toegedeeld en de voldoening van de schulden komt voor haar rekening. [eisers] krijgen een geldvordering ten laste van haar ter grootte van de waarde van hun erfdeel. De geldvorderingen worden binnen een jaar na overlijden bij notariële akte vastgesteld. In dat verband moet een boedelbeschrijving worden opgemaakt, waarbij de waardering van de goederen en schulden in onderling overleg plaatsvindt. De geldvorderingen zijn pas opeisbaar wanneer [gedaagde] is overleden of een van de andere in het testament genoemde situaties zich voordoet. In afwijking daarvan heeft erflater in artikel 7 bepaald dat de kinderen onmiddellijk uitgekeerd moeten krijgen dat gedeelte van de vastgestelde vordering dat uitkeerbaar is uit de banktegoeden die op naam gesteld zijn ten tijde van zijn overlijden.

2.4.

Tussen partijen is discussie ontstaan over (de waarde van) posten op de door [gedaagde] opgestelde en geactualiseerde voorlopige boedelbeschrijving en over de vraag of en zo ja welk bedrag [gedaagde] op grond van het testament al zou moeten uitkeren op de geldvorderingen van de kinderen. Het grootste discussiepunt is de uitleg van het bepaalde in artikel 7 van het testament. Volgens [eisers] heeft erflater met de uitkeerbare banktegoeden alle liquide middelen bedoeld, dus ook het bedrag van € 1.151.355,- dat op de datum van zijn overlijden op het gelddeel van zijn beleggingsrekening stond. [gedaagde] betwist dat. Volgens haar heeft erflater daarmee bedoeld dat wat van de contanten oftewel de geldbedragen die op zijn betaalrekeningen stonden, dus in totaal een bedrag van
€ 596.899,-, resteert na aftrek van de schulden van de nalatenschap.

2.5.

[eisers] vorderen in het incident veroordeling van [gedaagde] om aan hen ieder een bedrag van € 198.000,- uit te betalen als voorschot op hun geldvordering, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Zij vorderen in de hoofdzaak onder meer verklaringen voor recht over diverse geschilpunten tussen partijen, vaststelling van de omvang van hun geldvorderingen en veroordeling van [gedaagde] om het restant van het opeisbare deel van de geldvorderingen aan hen uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, en om zekerheid te stellen voor een bedrag van € 1.500.000,- voor het nog niet opeisbare deel daarvan op straffe van een dwangsom. Zij hebben daarnaast voorwaardelijke vorderingen ingesteld. Zij vorderen tot slot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Een volledige weergave van de vorderingen is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. [gedaagde] heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.6.
De rechtbank is van oordeel dat de onder II gevorderde verklaring voor recht dat de tegoeden die erflater op het gelddeel van zijn beleggingsrekening aanhield zijn aan te merken als banktegoeden in de zin van artikel 7 van het testament kan worden gegeven, maar dat alle andere vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen. Hierna zal de rechtbank dit per vordering toelichten.

3De beoordeling

in de hoofdzaak

vordering II uitleg banktegoeden artikel 7 testament

3.1.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van het bepaalde in artikel 7 van het testament. Daarin is, voor zover van belang, opgenomen:

“7. DIRECTE OPEISBAARHEID
In afwijking van het onder hoofdstuk 6 bepaalde ten aanzien van de opeisbaarheid, bepaal ik dat ieder van mijn kinderen van de vordering die zij op mijn partner krijgen, berekend op de wijze als hiervoor bepaald onder hoofdstuk 4 en 5, onmiddellijk uitgekeerd moeten krijgen dat gedeelte van de vastgestelde vordering dat uitkeerbaar is uit de banktegoeden die op naam gesteld zijn ten tijde van mijn overlijden.
(…)”

3.2.

[eisers] stellen dat onder banktegoeden moet worden verstaan alle besteedbare oftewel liquide tegoeden op bankrekeningen, waaronder betaalrekeningen, spaarrekeningen en effectenrekeningen. De toevoeging uitkeerbaar wijst op vloeibaar vermogen dat direct beschikbaar is. Tegoeden op het gelddeel van een beleggingsrekening voldoen aan die definitie. Die uitleg sluit aan bij het normale spraakgebruik en ook bij de definitie die wordt gehanteerd in artikel 5.2 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001. Het gelddeel van een beleggingsrekening is namelijk aan te merken als een deposito en daarmee als een banktegoed. De ING Bank, waar erflater bankierde, vermeldt op haar website ook dat het gelddeel van een beleggingsrekening onder het depositogarantiestelsel valt. Erflater heeft het gelddeel van zijn beleggingsrekening in zijn aangiften inkomstenbelasting steeds opgegeven onder “bank- en spaartegoed en premiedepots”, zodat hij zich dat moet hebben gerealiseerd.

3.3.

[eisers] stellen verder dat erflater zijn beleggingsrekening bij ING Bank pas in 2019 heeft geopend. Hij heeft toen aandelen gekocht, maar deze in maart 2020 weer verkocht. Daarna heeft erflater tot aan zijn overlijden in januari 2024 geen gelden meer belegd. Hij ontving rente over het gelddeel van de beleggingsrekening en gebruikte deze dus feitelijk als spaarrekening. Erflater heeft zijn (laatste) testament in juni 2022 laten opstellen. [gedaagde] beschikte toen zelf over een vermogen van ruim € 500.000,-, waarvan € 370.000,- aan liquide banktegoeden, en over ruime inkomsten onder andere uit vastgoedmaatschappijen. Zij was en is dus financieel onafhankelijk. Uit het testament blijkt dat erflater zijn partner weliswaar verzorgd wilde achterlaten, maar dat hij de uitkeerbare banktegoeden niet aan haar maar aan de kinderen wilde laten toekomen. Anders zou hij banktegoeden beperkter hebben geformuleerd door de vrij opneembare tegoeden op zijn beleggingsrekening daarvan uit te sluiten.

3.4.
Deze bedoeling blijkt volgens [eisers] ook uit het bepaalde in artikel 2 van het testament. Daarin is, voor zover van belang, opgenomen:

“2. LEGATEN

a. Ik legateer aan mijn kinderen het bedrag dat nodig is om uitvoering te geven aan de last om aan mijn voormalige echtgenote, mevrouw [naam voormalige echtgenote] een uitkering per maand te verstrekken een bedrag van éénduizend driehonderdzeventig euro (€ 1.370,00). De last om deze uitkering (…) te doen eindigt per het einde van de maand tien jaar na mijn overlijden of zoveel eerder als de begunstigde komt te overlijden. Het gelegateerde bedrag komt zoveel mogelijk ten laste van het erfdeel van mijn kinderen dat aansluitend op mijn overlijden deels in contanten zal worden uitgekeerd, zoals hierna omschreven.
(…)
c. Ik legateer aan mijn partner (…) met wie ik sinds dertig april negentienhonderd negenennegentig een gemeenschappelijke huishouding voer, een bedrag in contanten ten belope van mijn aandeel in de servicekosten van het appartementsrecht dat wij thans samen bewonen (…) zulks voor een periode van maximaal tien jaar na mijn overlijden. Dit bedrag dient ten behoeve van mijn partner gereserveerd te worden, inclusief indexering van dit bedrag over de voormelde periode. Indien mijn partner een ander appartement zou gaan bewonen dient dit legaat ook ter dekking (voor de helft) van de servicekosten in dat volgende appartement, met als maximum het bedrag dat betaald zou worden in ons huidige appartement. Indien de bewoning van enig eigen appartement eerder eindigt dan tien jaar na mijn overlijden, vervalt het restant van dit depot aan mijn erfgenamen.”

Het in artikel 2 onder c. opgenomen legaat als vangnet voor de woonlasten van [gedaagde] was immers overbodig geweest als zij het gelddeel van de beleggingsrekening zou verkrijgen, omdat zij daarmee die lasten zou kunnen voldoen. De waarde van dat legaat dient in mindering te worden gebracht op het saldo van de banktegoeden, voordat de geldvorderingen daar voor zover mogelijk uit worden voldaan. Verder blijkt uit het in artikel 2 onder a. opgenomen legaat dat de waarde daarvan zoveel mogelijk ten laste komt van het opeisbare deel van de geldvorderingen. Volgens [eisers] was het niet de bedoeling van erflater dat alle boedelschulden, legaten en erfbelasting eerst in mindering zouden worden gebracht op de uitkeerbare banktegoeden. Dan zou, als het gelddeel van de beleggingsrekening buiten beschouwing wordt gelaten, een negatief saldo resteren en dat zou het bepaalde in artikel 7 zinledig maken.

3.5.

[gedaagde] heeft deze stellingen van [eisers] weersproken. [gedaagde] stelt dat dit onderdeel van het testament vaker is besproken met de notaris, omdat deze bepaling ook in eerdere testamenten van erflater was opgenomen. De notaris heeft erflater volgens haar verzekerd dat onder banktegoeden werd verstaan de contanten oftewel de bedragen die direct liquide waren, althans zo begreep erflater dat. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] verwezen naar een e-mail van 18 juni 2024 van de (kandidaat-)notaris die het laatste testament van erflater als waarnemer heeft gepasseerd. Daarin heeft zij onder meer geschreven:

“Er wordt gesproken over banktegoeden en niet over beleggingsrekening. Ik deel uw standpunt dat de beleggingsrekening in zijn geheel als belegging moet worden gezien en in casu niet onder de banktegoeden valt.

Ik heb voor de goede orde de aantekeningen van notaris [naam notaris] bekeken en hij heeft in een email van 6 januari 2015 aan erflater en mevrouw [gedaagde] geschreven:

De kinderen moeten maandelijks aan mevrouw [naam voormalige echtgenote van erflater] een bedrag van € 1.000 betalen. Daarvoor moeten zij dan, zo stelt u, de geldmiddelen hebben. U hebt mij ook gezegd, dat de kinderen hun erfdeel berekend in uw nalatenschap al deels uitgekeerd krijgen door de beschikbare banktegoeden, zeg maar liquide middelen, meteen ter hunner beschikking te stellen, als vooruitbetaling op hun erfdeel.”

Erflater heeft de term banktegoeden dus uitgelegd als liquide contanten en dat komt overeen met bedragen op betaalrekeningen. Gelden op een beleggingsrekening kunnen immers alleen worden gebruikt om mee te beleggen en moeten eerst naar een betaalrekening worden overgemaakt om daarover te kunnen beschikken. In het normale spraakgebruik staat een banktegoed ook gelijk aan het saldo op een betaal- of spaarrekening.

3.6.
Volgens [gedaagde] was erflater zeer actief als belegger. Voordat hij in 2019 zijn beleggingsrekening bij ING Bank opende, belegde hij al via een andere route in Duitsland. Tijdens de coronacrisis heeft hij zijn beleggingen tijdelijk teruggetrokken. Daarna deed hij onderzoek naar nieuwe beleggingsmogelijkheden. Hij heeft zich onder andere laten adviseren door ING Bank, die een beleggingsplan voor hem heeft opgesteld, en hij heeft zich aangesloten bij diverse beleggingsorganisaties. Hij was dus niet van plan om de gelden op zijn beleggingsrekening te laten staan. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] verwezen naar wat de heer [A] daarover heeft verklaard. Hij heeft volgens haar geschreven: “De gelden zijn op de beleggingsrekening blijven staan in afwachting van andere beleggingsmogelijkheden. In de periode daarna heeft [voornaam erflater] nog bij een aantal andere vermogensbeheerders geïnformeerd naar beleggingsmogelijkheden.” en “In elk geval zou het tegen de wil van [voornaam erflater] zijn om het saldo van de beleggingsrekening thans te verdelen onder de erfgenamen.”

3.7.

[gedaagde] stelt verder dat uit het testament blijkt dat erflater zijn vermogen zoveel mogelijk bij elkaar wilde houden en tot aan haar overlijden aan zijn partner ter beschikking wilde stellen. Er is namelijk sprake van een langstlevende testament waarbij de goederen van de nalatenschap aan [gedaagde] toekomen en haar betalingsverplichting aan de kinderen in beginsel pas opeisbaar wordt bij haar overlijden. Volgens [gedaagde] wilde erflater alleen het na vereffening en verdeling van de nalatenschap resterende saldo op zijn betaalrekeningen al aan de kinderen laten toekomen. Bij het opstellen van het testament is er niet over nagedacht dat er dan sprake zou kunnen zijn van een negatief saldo. Er stond toen veel meer geld op de bankrekeningen, zodat dat niet was te voorzien. Het was niet de bedoeling van erflater dat zijn partner van haar eigen bankrekeningen betalingen zou moeten doen bij de afwikkeling van de nalatenschap.

3.8.
De rechtbank stelt voorop dat bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (artikel 4:46 lid 1 BW). Voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, kunnen ook verklaringen van getuigen over wat erflater heeft beoogd worden betrokken. Het is aan [eisers] om hun stellingen over de uitleg die zij geven aan het testament van erflater en de feiten en omstandigheden die daarvoor van belang zijn voldoende concreet te stellen en zo nodig te bewijzen. Zij beroepen zich namelijk op die uitleg en de rechtsgevolgen daarvan (artikel 150 Rv).

3.9.
Op het moment van het maken van het testament in juni 2022 was erflater 85 jaar oud. Hij had een affectieve relatie en woonde samen met [gedaagde] , die toen 74 jaar oud was. Erflater had drie kinderen, die zijn geboren uit het huwelijk van erflater met zijn ex-echtgenote. Erflater en [gedaagde] voerden sinds 1999 een gezamenlijke huishouding, hadden samen een appartement(srecht) in eigendom (ieder 50%) en samen met anderen een vakantiewoning (ieder 25%). Voor het overige hadden zij geen gemeenschappelijke goederen of schulden. Erflater was vermogend. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij zelf ook over een vermogen van ruim € 500.000,- en ruime inkomsten beschikte (en beschikt), zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Erflater had een deel van zijn vermogen op zijn beleggingsrekening staan. Daarnaast had hij betaalrekeningen. Het staat vast dat erflater in 2019-2020 een korte periode heeft belegd en dat hij de gelden op zijn beleggingsrekening na maart 2020 niet meer heeft belegd. Dat erflater daarvoor al een actieve belegger was, kan de rechtbank niet aannemen. [eisers] hebben dat betwist en [gedaagde] heeft dit verder niet onderbouwd. Welk bedrag er in totaal op de betaalrekeningen van erflater stond ten tijde van het opmaken van het testament heeft [gedaagde] evenmin toegelicht.

3.10.
Erflater heeft in zijn testament zoals gezegd [gedaagde] tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd en bepaald dat zijn nalatenschap door haar moet worden verdeeld als ware er een wettelijke verdeling, zodat alle goederen aan [gedaagde] moeten worden toegedeeld en de voldoening van de schulden voor haar rekening komt en [eisers] een niet-opeisbare geldvordering op haar krijgen ter grootte van de waarde van hun erfdeel. Erflater heeft echter ook daarvan afwijkende bepalingen opgenomen. Zo heeft erflater onder meer vier legaten opgenomen, waarin hij over bepaalde goederen anders heeft beschikt. Erflater heeft in artikel 2 van het testament aan zijn kinderen het bedrag gelegateerd dat nodig is om uitvoering te geven aan de last om aan zijn ex-echtgenote een maandelijkse vergoeding te verstrekken voor een periode van maximaal 10 jaar na zijn overlijden. Erflater heeft daarnaast aan twee van zijn kinderen niet vrij van rechten en kosten (certificaten van) aandelen gelegateerd. Verder heeft erflater aan [gedaagde] het bedrag gelegateerd dat nodig is voor het voldoen van de helft van de (service)kosten van het appartement dat zij nu bewoont of in de toekomst gaat bewonen voor een periode van maximaal tien jaar na zijn overlijden en het recht van gebruik en bewoning van zijn aandeel in de vakantiewoning. Ook heeft erflater bepaald dat de kinderen op hun vastgestelde geldvorderingen al uitgekeerd moeten krijgen wat uitkeerbaar is uit de banktegoeden die op naam zijn gesteld ten tijde van zijn overlijden.

3.11.
Hieruit valt af te leiden dat erflater kennelijk wilde dat [gedaagde] als langstlevende partner ongestoord verder zou kunnen leven, maar dat hij ook oog had voor de financiële belangen van zijn kinderen en hun moeder en aan hen geld wilde laten toekomen. Dit laatste past bij het beeld dat [gedaagde] van erflater heeft geschetst. Volgens haar zorgde erflater er bij leven voor dat het zijn kinderen aan niets ontbrak en dat zijn ex-echtgenote maandelijks een aanvulling op haar inkomen ontving en heeft hij zijn best gedaan om in zijn testament aandacht te hebben voor al deze personen die hem nabij stonden. Deze bedoeling blijkt ook uit de geciteerde tekst van de e-mail van de notaris, die bij eerdere testamenten van erflater betrokken was, aan erflater en [gedaagde] van 6 januari 2015. Daarin heeft de notaris aangehaald dat de kinderen maandelijks een bedrag aan hun moeder moeten betalen en daarvoor volgens erflater de geldmiddelen moeten hebben en dat erflater tegen de notaris heeft gezegd dat de kinderen hun erfdeel berekend in zijn nalatenschap al deels uitgekeerd krijgen door de beschikbare banktegoeden, zeg maar liquide middelen, meteen ter hunner beschikking te stellen, als vooruitbetaling op hun erfdeel.

3.12.
In het testament is de term banktegoeden niet omschreven. De rechtbank volgt [eisers] in hun stelling dat onder iemands banktegoeden normaal gesproken wordt verstaan alle liquide tegoeden die op bankrekeningen op naam staan, dus zowel de gelden op betaalrekeningen als de gelden op spaarrekeningen en effectenrekeningen. Ook over de gelden op spaar- en effectenrekeningen kan worden beschikt nadat deze zijn overgemaakt op een betaalrekening. Deze gelden zijn dus eveneens uitkeerbaar. Aanwijzingen dat erflater met banktegoeden in dit geval heeft bedoeld bedragen die direct liquide zijn en daarmee alleen de bedragen op zijn betaalrekeningen, zoals [gedaagde] zegt, zijn niet gebleken. In de hiervoor genoemde e-mail van de notaris is op te maken dat destijds is gesproken over beschikbare banktegoeden oftewel liquide middelen. Het woord direct komt daarin niet voor. De (kandidaat-)notaris heeft in haar e-mail van 18 juni 2024 weliswaar geschreven dat zij het standpunt deelt dat de beleggingsrekening in zijn geheel als belegging moet worden gezien en in casu niet onder de banktegoeden valt, maar daaruit valt niet op te maken dat zij dat met erflater heeft besproken en dat hij dat zo heeft bedoeld. Uit wat de heer [A] volgens [gedaagde] heeft verklaard, valt ook niet af te leiden dat hij van erflater zelf heeft vernomen dat het tegen zijn wil zou zijn om het saldo van de beleggingsrekening al te verdelen onder de erfgenamen.

3.13.
De rechtbank volgt [eisers] echter niet in hun stelling dat uit het testament volgt dat alleen de waarde van de in artikel 2 onder a. en c. opgenomen legaten in mindering mogen worden gebracht op de uitkeerbare banktegoeden. Erflater heeft in zijn testament bepaald dat de nalatenschap moet worden verdeeld overeenkomend met de regeling van de wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 BW. Dat brengt mee dat voor de berekening van de geldvorderingen van de kinderen eerst het zuivere saldo van de nalatenschap van erflater moet worden vastgesteld, zijnde de waarde van de goederen van de nalatenschap verminderd met de schulden van de nalatenschap (in de zin van artikel 4:7 BW), waaronder de boedelkosten, verschuldigde erfbelasting en legaten. Daarna kan de geldvordering van ieder kind worden vastgesteld op 33% van dat saldo. Uit het bepaalde in artikel 7 volgt ook dat uitgekeerd moet worden op de overeenkomstig het testament berekende en vastgestelde vorderingen van de kinderen. Hieruit valt af te leiden dat erflater kennelijk wilde dat wat na aftrek van alle schulden van de nalatenschap resteert van de banktegoeden op zijn naam al op de geldvorderingen van de kinderen wordt uitgekeerd.

3.14.
Naar het oordeel van de rechtbank moet gelet op de gebleken verhoudingen die erflater in zijn testament kennelijk wenste te regelen en de gebleken omstandigheden waaronder dit testament is gemaakt de uiterste wilsbeschikking van erflater zo worden uitgelegd dat erflater met banktegoeden in artikel 7 van het testament heeft bedoeld de saldi op al zijn bankrekeningen, dus niet alleen de saldi op zijn betaalrekeningen. De rechtbank zal de onder II gevorderde verklaring voor recht dat de tegoeden die erflater op het gelddeel van zijn beleggingsrekening aanhield zijn aan te merken als banktegoeden in de zin van artikel 7 van het testament daarom geven. Naar het oordeel van de rechtbank moet het testament verder zo worden uitgelegd dat pas wat na aftrek van alle schulden van de nalatenschap resteert van de saldi op alle bankrekeningen van erflater moet worden uitgekeerd op de vastgestelde geldvorderingen van de kinderen.

vordering III advocaatkosten [gedaagde]

3.15.

[eisers] vorderen dat de rechtbank voor recht verklaart dat de door [gedaagde] gemaakte advocaatkosten in verband met de executele, het afwikkelingsbewind en/of deze procedure buiten beschouwing dienen te blijven bij de vaststelling van hun geldvorderingen.

3.16.

[eisers] stellen dat op de voorlopige boedelbeschrijving ten onrechte een bedrag van € 3.122,21 is opgenomen aan door mr. Mos gedeclareerde kosten in de periode november 2024 - maart 2025. Volgens hen bestond er geen noodzaak en/of rechtvaardiging voor het maken van die kosten. De gerezen geschillen tussen partijen zijn het gevolg van het trage en nalatige handelen van [gedaagde] als executeur/afwikkelingsbewindvoerder bij de afwikkeling van de nalatenschap. [gedaagde] heeft bovendien als erfgenaam en legataris een eigen financieel belang bij een bepaalde uitkomst over inhoudelijke kwesties, zodat daarmee verband houdende advocaatkosten niet zijn aan te merken als kosten van executele. [gedaagde] moet de kosten van haar advocaat daarom zelf te dragen, net zoals [eisers] de kosten van hun advocaat zelf dragen. [gedaagde] voert hiertegen verweer.

3.17.
De kosten van executele, met inbegrip van het loon van de executeur, zijn schulden van de nalatenschap (artikel 4:7 lid 1 onder d BW). Het moet daarbij gaan om kosten die de executeur in redelijkheid heeft gemaakt, gelet op de hem door de wet of door de erflater toegedachte taak. De executeur mag bij de afwikkeling van de nalatenschap hulppersonen inschakelen, zoals een notaris of een advocaat, omdat dat noodzakelijk of wenselijk kan zijn. De kosten daarvan kunnen in beginsel onder de kosten van executele worden gebracht. Als de executeur gelet op zijn taak en de vervulling daarvan in redelijkheid niet had kunnen komen tot het maken van dergelijke kosten of het ontstaan daarvan had kunnen voorkomen, kan er aanleiding zijn om te oordelen dat hij deze kosten (deels) zelf moet dragen. Daarbij zijn mede bepalend de aard en reden van de kosten, de verwijtbaarheid en vermijdbaarheid daarvan en de omvang van de nalatenschap. In dit geval heeft erflater in zijn testament expliciet bepaald dat [gedaagde] als executeur recht heeft op loon en dat de door haar gemaakte kosten van executele direct uit de nalatenschap aan haar worden voldaan. Verder heeft hij bepaald dat [gedaagde] de door haar gemaakte kosten voor de afwikkeling eveneens ten laste van de nalatenschap mag brengen.

3.18.

[gedaagde] is in deze procedure betrokken in haar hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder en in persoon. Zij is ook gedagvaard in hoedanigheid van mede-vereffenaar voor het geval de nalatenschap zou moeten worden vereffend, maar daarvan is geen sprake. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] haar taken als executeur nog niet heeft afgerond. Zo heeft zij nog geen definitieve boedelbeschrijving opgesteld en nog niet alle schulden van de nalatenschap voldaan, die zij tijdens haar beheer behoort te voldoen, zoals de legaten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] hun stelling dat de gemaakte advocaatkosten te wijten zijn aan traag en nalatig handelen van [gedaagde] als executeur onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft de in het testament opgenomen termijnen voor onder meer het opstellen van de boedelbeschrijving en het vaststellen van de geldvorderingen van de kinderen niet gehaald. Die termijnen zijn echter geen fatale termijnen, maar moeten worden beschouwd als een nadere omlijning oftewel als aansporingstermijnen. [gedaagde] heeft toegelicht dat de inhoud van het testament zodanig ingewikkeld was dat zij met haar financieel adviseur daarover overleg wilde voeren met de notaris die het testament had opgesteld. Pas enkele maanden na het overlijden van erflater konden zij bij de notaris terecht. Na het opstellen van de verklaring van executele tevens boedelvolmacht op 25 april 2024 konden pas stukken bij instanties worden opgevraagd. Tussen partijen is discussie ontstaan over posten op de voorlopige boedelbeschrijving en de uitleg van het testament. [eisers] drongen aan op uitbetaling van het volgens hen al opeisbare deel van hun geldvorderingen. Volgens [gedaagde] hadden zij op grond van het testament nog geen opeisbare vordering op haar. Nadat [eisers] mr. Weenink hadden ingeschakeld, heeft [gedaagde] mr. Mos ingeschakeld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de advocaatkosten onder deze omstandigheden aan te merken als kosten die [gedaagde] als executeur in redelijkheid heeft kunnen maken. [gedaagde] mocht juridische bijstand inschakelen. Dit was nodig voor de duiding van het testament om de nalatenschap verder te kunnen afwikkelen en om zich te kunnen verweren tegen de claim van [eisers] . De kosten van de advocaat van [gedaagde] kunnen daarom ten laste van de nalatenschap worden gebracht. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht om die reden niet geven.

vordering IV boete(s) en/of rente in verband met aangifte erfbelasting

3.19.

[eisers] vorderen dat de rechtbank voor recht verklaart dat boete(s) en/of rente vanwege het niet (tijdig) doen van aangifte erfbelasting buiten beschouwing dienen te blijven bij de vaststelling van hun geldvorderingen.

3.20.

[eisers] stellen dat op [gedaagde] als executeur de verplichting rust om tijdig aangifte erfbelasting te doen. Zij heeft nog altijd geen definitieve aangifte erfbelasting voor de kinderen gedaan, terwijl de aangiftetermijn is verlopen en de belastingdienst al meerdere keren uitstel heeft verleend. [eisers] hebben een soort aanmaning ontvangen van de belastingdienst. Daarop heeft hun fiscalist om uitstel gevraagd en dat is verkregen tot augustus 2026. Volgens [eisers] is [gedaagde] vanwege dit tekortschieten persoonlijk aansprakelijk (op grond van artikel 6:162 BW) voor eventuele verschuldigde boetes en rente in verband met het te laat indienen van de definitieve aangifte erfbelasting.

3.21.

[gedaagde] heeft toegelicht dat zij voor alle erfgenamen een voorlopige aangifte erfbelasting heeft gedaan en de opgelegde voorlopige aanslagen heeft betaald. In augustus 2025 heeft zij voor zichzelf een definitieve aangifte erfbelasting ingediend. Voor de kinderen heeft zij dit niet gedaan, omdat er geen overeenstemming bestond over de inhoud daarvan. [gedaagde] gaat er vanuit dat er niet meer erfbelasting heeft te worden betaald dan er al is afgedragen.

3.22.
De rechtbank zal het gevorderde afwijzen. Uit de stellingen van [eisers] blijkt dat aan hen uitstel is verleend voor het indienen van de definitieve aangifte erfbelasting tot augustus 2026. Zij hebben ook bevestigd dat er naar verwachting geen erfbelasting meer hoeft te worden bijbetaald. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt daarom niet in te zien dat er boete en/of rente verschuldigd zal zijn.

vordering V zekerheid stellen voor de geldvorderingen

3.23.

[eisers] vorderen, kort gezegd, veroordeling van [gedaagde] in privé om zekerheid te stellen voor een bedrag van € 1.500.000,- voor het gedeelte van de geldvorderingen dat op het moment van vestiging van het zekerheidsrecht nog niet is voldaan, door vestiging van een recht van hypotheek op de woning waarin erflater en [gedaagde] samenwoonden, op straffe van een dwangsom.

3.24.
Volgens [eisers] had [gedaagde] deze zekerheid op grond van het bepaalde in artikel 5 van het testament al moeten verstrekken. [gedaagde] betwist dat.

3.25.
In artikel 5 van het testament is, voor zover van belang, opgenomen:

“5. VASTSTELLING GELDVORDERINGEN, ZEKERHEIDSSTELLING
De geldvorderingen van mijn overige erfgenamen worden vastgesteld bij notariële akte binnen een jaar na mijn overlijden. In verband met deze vaststelling moet een boedelbeschrijving worden opgemaakt die de waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap bevat. De waardering vindt plaats in onderling overleg. (…)
Mijn partner is niet vrijgesteld van de verplichting zekerheid te stellen voor de voormeld vorderingen van mijn overige erfgenamen. Voor deze vorderingen zal door haar zekerheid warden gesteld in de vorm van hypotheekrecht op het woonhuis dat zij en ik ten tijde van mijn overlijden tezamen bewonen.
(…)”

3.26.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] terecht als verweer heeft aangevoerd dat deze zekerheidstelling pas hoeft plaats te vinden nadat de geldvorderingen zijn vastgesteld. Uit de tekst van het artikel volgt dat zekerheid moet worden gesteld voor de “voormeld[e] vorderingen” en dat verwijst naar de vastgestelde geldvorderingen. Om aan de verplichting tot zekerheidstelling te kunnen voldoen is het ook noodzakelijk om te weten hoe hoog de totale vordering is waarvoor zekerheid moet worden gesteld. De rechtbank zal het gevorderde om die reden afwijzen.

vordering VI afgifte legaat artikel 2 sub b. testament

3.27.

[eisers] hebben deze vordering ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.

primaire vordering VII omvang geldvorderingen vaststellen

3.28.

[eisers] vorderen primair, indien de rechtbank van oordeel is dat de geldvorderingen van de kinderen al zijn ontstaan, dat de rechtbank voor recht verklaart wat de omvang van de geldvorderingen van de kinderen is.

3.29.
De rechtbank is van oordeel dat de geldvorderingen van de kinderen al zijn ontstaan. Deze vorderingsrechten vloeien voort uit het testament van erflater. Dat de omvang van de geldvorderingen nog niet is vastgesteld en de geldvorderingen nog niet opeisbaar zijn, doet aan het bestaan daarvan niet af.

3.30.
De rechtbank zal het gevorderde afwijzen, omdat de bevoegdheid om de geldvorderingen van de kinderen vast te stellen op grond van het testament exclusief toekomt aan [gedaagde] als afwikkelingsbewindvoerder. Erflater heeft een bewind ingesteld over de erfdelen van zijn kinderen in het belang van alle betrokkenen om te komen tot een goede afwikkeling van de nalatenschap en hij heeft [gedaagde] tot executeur en tot bewindvoerder benoemd. Daarbij heeft erflater (op grond van artikel 4:171 BW) ruime bevoegdheden toegekend aan [gedaagde] . Zo mag zij beschikken over de goederen van de nalatenschap zonder medewerking van de kinderen en zonder machtiging van de kantonrechter. Zij mag ook als vertegenwoordiger van de kinderen de nalatenschap naar eigen inzicht verdelen, met inachtneming van de in het testament opgenomen specifieke wensen van erflater. Verder heeft erflater bepaald dat het bewind vervalt na de verdeling van de nalatenschap en in elk geval vijf jaar na zijn overlijden. Dit alles brengt mee dat [gedaagde] , zolang het bewind voortduurt, zelfstandig bevoegd is om de nalatenschap in staat van verdeling te brengen, waartoe het vaststellen van de geldvorderingen van de kinderen behoort, en te verdelen. Aan de rechtbank komt daarom niet de bevoegdheid toe om de omvang van de geldvorderingen vast te stellen.

3.31.
De rechtbank kan wel een oordeel geven over drie geschilpunten met betrekking tot de voorlopige boedelbeschrijving, waarvan beide partijen hebben aangegeven dat zij een oordeel daarover wenselijk vinden.

1) aandeel van erflater in het algemeen reservefonds en het onderhoudsfonds van de Vereniging van Eigenaars (VvE)
Anders dan [eisers] menen, behoort dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot de nalatenschap van erflater. Gelden die in deze fondsen zijn gestort, staan op een aparte bankrekening op naam van de VvE en behoren aan de VvE toe. Het bestaan en de omvang van deze fondsen zijn blijkens het overgelegde taxatierapport van 11 december 2024 bij de bepaling van de marktwaarde van het appartement(srecht) per datum overlijden van erflater betrokken. Dat het aandeel in de reserves van de VvE bij de aangifte inkomstenbelasting moet worden opgegeven in box 3, net als spaargelden, maakt dit oordeel niet anders.

2) waarde auto erflater
De Mitsubishi Outlander van erflater moet naar het oordeel van de rechtbank in de boedelbeschrijving worden opgenomen voor een bedrag van € 9.449,-. Dat is blijkens het overgelegde taxatieverslag het bedrag waarop de totale waarde van de auto na taxatie op 19 juli 2024 is bepaald. Dat de waarde van de auto daarbij in geval van inruil op een hoger bedrag van € 10.500,- is bepaald, is niet relevant, omdat niet is gesteld of gebleken dat de auto is ingeruild.

3) waarde overige roerende zaken erflater

[eisers] stellen dat deze post voor een bedrag van € 5.000,- in de boedelbeschrijving moet worden opgenomen voor onder meer de inboedel, althans op ten minste een bedrag van € 2.500,-, omdat [gedaagde] dit bedrag in een eerder boedeloverzicht van 22 augustus 2024 zelf heeft opgegeven als waarde voor persoonlijke (lijf)goederen van erflater. [gedaagde] heeft hier tegenin gebracht dat de marktwaarde van de inboedel nihil bedraagt, omdat het geen bijzondere inboedel betreft. De rechtbank is van oordeel dat voor deze post een bedrag van € 2.500,- moet worden opgenomen. De rechtbank gaat daarbij uit van de genoemde eigen opgave van [gedaagde] , omdat [eisers] hun stelling dat deze zaken in totaal meer waard zijn dan dat bedrag niet hebben onderbouwd.

primaire vordering VIII uitbetaling uitkeerbaar deel geldvorderingen

3.32.

[eisers] vorderen verder, kort gezegd, veroordeling van [gedaagde] in privé om aan ieder van hen een bedrag van € 520.138,- uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2025.

3.33.

[eisers] stellen zich op het standpunt dat [gedaagde] deze bedragen al aan hen had moeten uitkeren op grond van het bepaalde in artikel 7 van het testament. Zij gaan, naar de rechtbank begrijpt, uit van het totaalbedrag aan banktegoeden dat op naam van erflater stond ten tijde van zijn overlijden en brengen daarop in mindering de waarde van de in artikel 2 onder a. en onder c. opgenomen legaten. [eisers] menen dat dat het opeisbare bedrag is dat zij direct na de vaststelling van hun geldvorderingen hadden moeten ontvangen. Hierover is volgens hen wettelijke rente verschuldigd vanaf een jaar na de datum van overlijden van erflater, omdat de vaststelling van de geldvorderingen binnen die termijn had moeten plaatsvinden.

3.34.
De rechtbank volgt [eisers] hierin niet. Zoals de rechtbank hiervoor 3.14. al heeft overwogen, moet het testament naar het oordeel van de rechtbank zo worden uitgelegd dat pas wat na aftrek van alle schulden van de nalatenschap resteert van de saldi op alle bankrekeningen van erflater moet worden uitgekeerd op de vastgestelde geldvorderingen van de kinderen. Daarvoor is nodig dat eerst de definitieve boedelbeschrijving wordt opgesteld en dat de waarde van de geldvorderingen van de kinderen wordt vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Anders dan [eisers] menen betreft de genoemde termijn van een jaar na het overlijden van erflater geen fatale termijn, maar slechts een aansporingstermijn. Pas als duidelijk is wat er na aftrek van alle schulden van de nalatenschap resteert van de banktegoeden, kan dat bedrag worden uitgekeerd op de vastgestelde geldvorderingen. De rechtbank zal het gevorderde daarom afwijzen.

subsidiaire vorderingen IX - XIV

3.35.

[eisers] hebben de subsidiaire vorderingen IX t/m XIV voorwaardelijk ingesteld voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de geldvorderingen van de kinderen nog niet zijn ontstaan. Die voorwaarde is niet vervuld, zodat de rechtbank niet toekomt aan beoordeling van deze vorderingen.

vordering XV vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten

3.36.

[eisers] vorderen veroordeling van [gedaagde] in privé om aan ieder van hen
€ 6.775,- te voldoen als vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.37.
De gevorderde vergoeding moet naar het oordeel van de rechtbank al worden afgewezen, omdat niet gebleken is dat [gedaagde] in verzuim is met een op haar rustende betalingsverplichting.

vordering XVI proceskostenveroordeling

3.38.

[eisers] vorderen veroordeling van [gedaagde] in privé in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.39.
De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten in de hoofdzaak te compenseren, omdat partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in 3.18. heeft overwogen, kan [gedaagde] de kosten ten laste van de nalatenschap brengen.

in het incident

vordering I uitbetaling voorschot op geldvorderingen

3.40.

[eisers] vorderen, kort gezegd, veroordeling van [gedaagde] om aan ieder van hen te betalen een bedrag van € 198.000,-, oftewel ieder een derde deel van het saldo op de betaalrekeningen van erflater per datum overlijden, als voorschot op hun geldvorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2025.

3.41.

[eisers] stellen dat dit deel van hun geldvorderingen in ieder geval al opeisbaar is op grond van het bepaalde in artikel 7 van het testament. Uit de beoordeling in de hoofdzaak volgt dat die stelling naar het oordeel van de rechtbank niet opgaat (zie 3.34.). Het gevorderde zal daarom worden afgewezen.

proceskostenveroordeling

3.42.

[eisers] krijgen ongelijk en zullen daarom in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op een bedrag van € 7.446,- (tarief VII, 2 punten) aan salaris advocaat en € 189,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing). De door [gedaagde] gevorderde hoofdelijke veroordeling in de proceskosten en gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen.

4De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,

4.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 7.635,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.5.
verklaart voor recht dat de tegoeden die erflater aanhield op het gelddeel van zijn beleggingsrekening met nummer [nummer] bij de ING Bank N.V. zijn aan te merken als banktegoeden in de zin van artikel 7 van zijn testament,

4.6.
wijst de overige vorderingen van [eisers] af,

4.7.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen en in het openbaar uitgesproken op
8 april 2026.

Bijlage

[eisers] vorderen na eiswijzigingen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Bij wijze van provisionele voorziening (ex art. 223 Rv):

I. a) voor het geval op het moment van executie van het in deze te wijzen vonnis nog geen verdeling heeft plaatsgevonden op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] : [gedaagde] in haar hoedanigheid van executeur althans in haar hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, aan ieder van de kinderen een voorschot te voldoen van € 198.000, dan wel een in goede justitie te bepalen ander bedrag, op de geldvordering van het betreffende kind uit hoofde van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] , te vermeerderen
met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2025, althans vanaf een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de datum van algehele voldoening;

b) voor het geval op het moment van executie van het in deze te wijzen vonnis wel reeds verdeling heeft plaatsgevonden op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] : [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, aan ieder van de kinderen een voorschot te voldoen van € 198.000, dan wel een in goede justitie te bepalen ander bedrag, op de geldvordering van het betreffende kind uit hoofde van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2025, althans
vanaf een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de datum van algehele voldoening;

In de hoofdzaak:

II. voor recht te verklaren dat de tegoeden die wijlen de heer [erflater] aanhield op het “gelddeel” van zijn beleggingsrekening met nummer [nummer] bij de ING Bank N.V., zijn aan te merken als “banktegoeden” in de zin van art. 7 van zijn testament;

III. voor recht te verklaren dat de door [gedaagde] gemaakte advocaatkosten in verband met de executele, het afwikkelingsbewind en/of de onderhavige procedure, buiten beschouwing (dienen te) blijven bij de vaststelling van de geldvorderingen van de kinderen op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] ;

IV. voor recht te verklaren dat boete(s) en/of de rente wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte Erfbelasting ter zake van de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] , buiten beschouwing (dienen te blijven) bij de vaststelling van de geldvorderingen van de kinderen op grond van art. 4 van zijn testament;

V. [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid, althans in haar hoedanigheid van executeur te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, overeenkomstig het bepaalde in art. 5 van het testament van wijlen de heer [erflater] voor een bedrag van € 1.500.000 althans voor een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag, zekerheid te stellen voor het gedeelte van de geldvorderingen van de kinderen uit hoofde van art. 4 van voornoemd testament dat op het moment van vestiging van het zekerheidsrecht nog niet is voldaan, door vestiging van een recht van hypotheek op de woning staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , zulks op straffe van de verbeurte door [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

VI (ingetrokken)

Primair: indien uw Rechtbank van oordeel is dat de geldvorderingen van de kinderen al zijn ontstaan:

VII. voor recht te verklaren wat de (omvang van de) geldvordering van ieder kind bedraagt op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] ;

VIII. [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid op grond van art. 7 van het testament van wijlen de heer [erflater] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, aan ieder van de kinderen te voldoen een bedrag van € 520.138, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag, te verminderen met hetgeen [gedaagde] op het moment van betekening van het vonnis reeds heeft voldaan uit hoofde van hetgeen uw Rechtbank toewijst op grond van het onder I. gevorderde, het verschuldigde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2025, althans vanaf de datum van dagvaarding, tot de datum van algehele voldoening;

Subsidiair, slechts voor het geval uw Rechtbank van oordeel is dat de geldvorderingen van de kinderen nog niet zijn ontstaan:

IX. Voor recht te verklaren dat de peildatum voor de waardering van de banktegoeden
van wijlen de heer [erflater] in het kader van de berekening van de geldvorderingen van de kinderen op grond van art. 4 van zijn testament, [datum] 2024 is, zijnde de datum van overlijden van wijlen de heer [erflater] ;

X. Voor recht te verklaren dat de peildatum voor de waardering van de overige goederen van de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] in het kader van de berekening van de geldvorderingen van de kinderen op grond van art. 4 van zijn testament, de datum is waarop verdeling van zijn goederen in de zin van art. 4 van zijn testament plaatsvindt of reeds heeft plaatsgevonden;

XI. a) Voor recht te verklaren dat tot het moment waarop op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] verdeling plaatsvindt of reeds heeft plaatsgevonden van de goederen die tot zijn nalatenschap behoren, ieder kind recht heeft op 33% van de vruchten van die goederen in de zin van art. 3:172 BW;

b) [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid althans in haar hoedanigheid van executeur c.q. afwikkelingsbewindvoerder, te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, op de voet van art. 194 jo 195 Rv aan de kinderen te verschaffen:
- het jaaroverzicht over 2025 van de ING Bank met betrekking tot de bankrekeningen met nummers [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [nummer] ;
- alle VSN-jaarverslagen over 2025 en alle VSN-kwartaalrapportages over 2026, althans zodra die zijn vastgesteld;
c) voor het geval op het moment van executie van het in deze te wijzen vonnis nog geen verdeling heeft plaatsgevonden op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] : [gedaagde] in haar hoedanigheid van executeur althans in haar hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, aan ieder van de kinderen een bedrag te voldoen van € 31.775,70, dan wel een in goede justitie te bepalen ander bedrag, in verband met het over de jaren 2023 en 2024 door de vastgoedmaatschappijen (VSN) uitgekeerde rendement, te vermeerderen met de wettelijke rente over het te bepalen bedrag vanaf 1 februari 2026, althans vanaf een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de datum van algehele voldoening;
d) voor het geval op het moment van executie van het in deze te wijzen vonnis al wel verdeling heeft plaatsgevonden op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] : [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, aan ieder van de kinderen een bedrag te voldoen van € 31.775,70, dan wel een in goede justitie te bepalen ander bedrag, in verband met het over de jaren 2023 en 2024 door de vastgoedmaatschappijen (VSN) uitgekeerde rendement, te vermeerderen met de wettelijke rente over het te bepalen bedrag vanaf 1 februari 2026, althans vanaf een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de datum van algehele voldoening;
e) voor recht te verklaren op welk bedrag ieder kind recht heeft uit hoofde van de “vruchten” in de zin van art. 3:172 BW van de goederen van de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] , met uitzondering van de onder c) en d) genoemde vruchten, over de periode na zijn overlijden tot aan het in deze te wijzen vonnis;
f) voor het geval op het moment van executie van het in deze te wijzen vonnis nog geen verdeling heeft plaatsgevonden op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] : [gedaagde] in haar hoedanigheid van executeur althans in haar hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, aan ieder van de kinderen het op grond van e) vast te stellen bedrag te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het te bepalen bedrag vanaf 1 februari 2026, althans vanaf een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere datum, tot de
datum van algehele voldoening;
g) voor het geval op het moment van executie van het in deze te wijzen vonnis wel verdeling heeft plaatsgevonden op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] : [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, aan ieder van de kinderen het op grond van e) vast te stellen bedrag te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het te bepalen bedrag vanaf 1 februari 2026, althans vanaf een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere datum, tot de datum van algehele voldoening;

XII. [gedaagde] in haar hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, de verdeling op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] bij notariële akte tot stand te brengen, in de zin dat alle goederen van zijn nalatenschap aan haar worden toegedeeld en aan haar worden geleverd, op straffe van de verbeurte door [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid van een dwangsom van € 1.000 per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000 en met bepaling dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring of handtekening van [gedaagde] in de akte van verdeling in bovengenoemde zin, indien zij binnen 114 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis nog niet aan het vonnis heeft voldaan;

XIII. voor recht te verklaren wat de (omvang van de) geldvordering van ieder kind bedraagt op grond van art. 4 van het testament van wijlen de heer [erflater] ;

XIV. [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid op grond van art. 7 van het testament van wijlen de heer [erflater] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis althans binnen een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen andere termijn, aan ieder van de kinderen te voldoen een bedrag van € 520.138, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag, te verminderen met hetgeen [gedaagde] op het moment van betekening van het vonnis reeds heeft voldaan uit hoofde van hetgeen uw Rechtbank toewijst op grond van het onder I. gevorderde, het verschuldigde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2025, althans vanaf de datum van dagvaarding, tot de datum van algehele voldoening;

In alle gevallen:

XV. [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan de kinderen te voldoen een bedrag van € 6.775 als vergoeding voor door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten, berekend conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 april 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

XVI. [gedaagde] in haar eigen hoedanigheid te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling.

Zie Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911.

Zie hof Arnhem-Leeuwarden 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1587.

Spreker(s)

prof. mr. Freek Schols

hoogleraar Radboud Universiteit, privaatrecht, in het bijzonder notarieel recht