Gerechtshof Amsterdam 30 juni 2026 Parket bij de Hoge Raad 26 juni 2026 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2026 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 juni 2026 Rechtbank Midden-Nederland 9 juni 2026 Bekijk alles
ECLI:NL:RBMNE:2026:3550 Rechtbank Midden-Nederland 9 juni 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:3550

Rechtbank:Rechtbank Midden-Nederland

Datum: 09-06-2026

Onderwerp: ‘Partner ontruimd’

Overige onderwerpen: Informeel partnerschap en erfrecht?

Rechtsgebiedenregister: Erfrecht, Personen- en familierecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

mondeling vonnis; voorzieningenrechter veroodeelt de partner met wie erflater samenwoonde om de woning van de erven te ontruimen; langere ontruimingstermijn dan gevraagd, mits gedaagde gebruiksvergoeding betaalt en meewerkt aan verkoop.


Uitspraak:

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/611452 / KG ZA 26-273

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 9 juni 2026

in de zaak van

[vereffenaar]
,
in hoedanigheid van:

- vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] (hierna: [erflater] ),
- gevolmachtigde van de drie erfgenamen van [erflater] , namelijk:

- de heer [erfgenaam] (de vader van [erflater] );
- mevrouw [erfgenaam] (de moeder van [erflater] ); en
- mevrouw [erfgenaam] (de zus van [erflater] );
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vereffenaar,
advocaat: mr. M. Hoekman-Haan te Stadskanaal,

tegen

[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. T.C. Reintjes te Maarssen.

Aanwezig zijn:

- de vereffenaar
- mr. Hoekman-Haan
- [gedaagde]
- mr. Reintjes.
Daarnaast is de zitting bijgewoond door twee andere belangstellenden, waaronder de heer [A] .

De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:

- de dagvaarding van 26 mei 2026, met producties 1 tot en met 7
- de door [gedaagde] op 1 juni 2026 ingediende producties 1 tot en met 4
- de door [gedaagde] op 7 juni 2026 ingediende productie 5.

Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. De voorzieningenrechter heeft de mogelijkheid van een minnelijke regeling verkend. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten. De voorzieningenrechter heeft na een schorsing in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan zijn hieronder opgenomen in paragraaf 2 en 3. Paragraaf 1 is toegevoegd voor de duidelijkheid.

1Inleiding

1.1
Het gaat in deze zaak om ontruiming van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: de woning). [erflater] , de eigenaar van de woning, is op [datum] 2025 plotseling op [leeftijd] leeftijd overleden. [erflater] had geen testament. Zijn vader, zijn moeder en zijn zus zijn in gelijke delen gerechtigd tot de nalatenschap. Zij hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard en hebben de vereffenaar aangewezen als vereffenaar en gevolmachtigde. Volgens de vereffenaar zitten er nauwelijks liquide middelen in de nalatenschap, is de woning het enige vermogensbestanddeel van betekenis, en bedraagt de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening circa € 190.000,-.

1.2

[gedaagde] is de afgelopen 13 jaar de levenspartner van [erflater] geweest en woonde met hem samen in de woning. Zij en [erflater] zijn geen huwelijk of geregistreerd partnerschap aangegaan en er was ook geen samenlevingsovereenkomst. Zij is dus geen erfgenaam en ook anderszins is er voor haar niets geregeld.

1.3
In dit kort geding vordert de vereffenaar (namens de drie erven) dat de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordeelt om de woning uiterlijk 15 juni 2026 te ontruimen, op straffe van een dwangsom, met kosten en uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordelingen.

2De beoordeling

De ontruimingsvordering wordt toegewezen

2.1
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. De voorzieningenrechter zal de ontruimingsvordering dan ook toewijzen.

Langere ontruimingstermijn vanwege de belangenafweging, maar onder voorwaarden

2.2
De vraag waar het om gaat is op welke termijn [gedaagde] moet vertrekken. Daarvoor moet de rechter de belangen van de partijen afwegen.

2.3
Voor de vereffenaar en de erven die hij vertegenwoordigt zijn die belangen erin gelegen:

dat zij binnen afzienbare termijn de woning leeg kunnen verkopen om daarmee tot een definitieve afwikkeling van de nalatenschap te komen;

dat inmiddels bijna elf maanden zijn verstreken sinds het overlijden van [erflater] ;

dat in die periode de hypoheekrente niet is betaald en de schuld aan de bank dus is opgelopen en nog steeds oploopt;

dat de hypotheekverstrekker op 19 mei 2026 heeft aangegeven dat als de betalingsachterstand niet wordt voldaan en de woning evenmin onderhands (leeg) wordt verkocht, zij overweegt om de woning executoriaal te laten verkopen;

dat de erfbelasting inmiddels rentedragend is.

2.4
De belangen van [gedaagde] zijn:

dat zij de afgelopen dertien jaar met [erflater] in de woning heeft gewoond;

dat hij plotseling op jonge leeftijd is overleden en zij daardoor plotseling werd geconfronteerd met een situatie dat ze geen recht of titel meer had om in de woning te verblijven;

dat [gedaagde] daarom – ook vanuit menselijk oogpunt – tijd moet worden gegund om een nieuwe woning te vinden;

dat [gedaagde] zich de afgelopen tijd heeft ingespannen om andere woonruimte te vinden, maar daarin niet is geslaagd; en

dat er sinds vorige week concretere zicht is op andere woonruimte, omdat duidelijk is geworden dat de gemeente (na bezwaar toch) een urgentieverklaring aan haar verstrekt.

2.5
Die afweging kan en mag er niet toe leiden dat de erven zouden moeten wachten tot [gedaagde] daadwerkelijk andere woonruimte heeft gevonden. Maar de afweging rechtvaardigt wel een wat langere concrete ontruimingstermijn. Met een wat langere termijn wordt de kans vergroot, gegeven de net ontvangen urgentieverklaring, dat [gedaagde] voldoende tijd heeft om zonder ingewikkelde tussenoplossingen over te gaan naar een nieuwe woning. Dit belang van [gedaagde] is voldoende concreet en zwaarwegend, te meer omdat de rechter met het oog op de belangen van de erven zal bepalen dat die langere termijn alleen geldt als [gedaagde] vanaf juni 2026 de maandtermijnen van de hypotheekschuld voor haar rekening neemt, zoals zij heeft aangeboden. Van [gedaagde] mag verder worden verwacht dat zij ruimhartig meewerkt aan de verkoop van de woning. De langere termijn wordt daarvan afhankelijk gemaakt. Als [gedaagde] niet betaalt of niet meewerkt, mag zij met een termijn van een week worden ontruimd. [gedaagde] moet hoe dan ook, ook als ze dan nog geen nieuwe woning heeft, op 30 september 2026 de woning verlaten.

2.6
De vordering van de vereffenaar om het vonnis uitvoerbaar op de minuut te verklaren wordt afgewezen. Dat is onder het (inmiddels niet meer zo) nieuwe procesrecht niet meer nodig. Bij de apart gevorderde veroordeling in de kosten van tenuitvoerlegging heeft de vereffenaar evenmin belang: de executant heeft voor die kosten al een executoriale titel, ook zonder die aparte veroordeling.

2.7
De gevorderde dwangsom kan worden toegewezen, zodat de vereffenaar de keuze heeft tussen het tenuitvoerleggen daarvan en ontruimen, of eerst tenuitvoerleggen van dwangsommen en als dat geen resultaat oplevert ontruimen. Ze worden wel gemaximeerd.

[gedaagde] krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen aan de vereffenaar

2.8

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vereffenaar worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

159,94

- griffierecht

341,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.866,94

3De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] te ontruimen en ontruimd te houden, met medeneming van slechts haar persoonlijke bezittingen en de woning ter vrije en algehele beschikking te stellen aan de vereffenaar onder afgifte van alle bij de woning behorende sleutels,

3.2
bepaalt dat de vereffenaar het vonnis niet eerder mag laten betekenen dan 23 september 2026, mits [gedaagde] :

zorgt dat binnen een week na vandaag de maandtermijn van de hypotheek over juni 2026 wordt betaald aan de hypotheekhouder;

zorgt dat ook de maandtermijnen over juli 2026, augustus 2026 en september 2026 tijdig aan de hypotheekhouder worden betaald; en

alle medewerking verleent die de door vereffenaar in te schakelen makelaar redelijkerwijs nodig acht om de woning te verkopen (zoals: op verzoek van de makelaar toegang verschaffen tot de woning voor het maken van foto’s en bezichtigingen en dergelijke, en te zorgen dat de woning dan toonbaar is),

3.3
veroordeelt [gedaagde] om aan de vereffenaar een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet voldoet aan de hoofdveroordeling onder 3.1, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

3.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.866,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig voldoet aan de veroordelingen en het vonnis daarna wordt betekend,

3.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6
wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 9 juni 2026.

Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter op 12 juni 2026.

JO/4972

Spreker(s)

prof. mr. Freek Schols

hoogleraar Radboud Universiteit, privaatrecht, in het bijzonder notarieel recht