Rechtbank Noord-Holland 30 januari 2019

ECLI:NL:RBNHO:2019:746

Datum: 30-01-2019

Onderwerp(en): RB Zeeland West-Brabant 19 -02 -2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:2275

Rechtsgebiedenregister: Jeugdrecht civiel

Centraal staat de vraag naar de bevoegdheid van de GI om zaken die de omgang tussen vader en kind betreffen in een schriftelijke aanwijzing vast te leggen in het licht van de recente uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321), waarin o.a. is bepaald dat de GI niet langer aan art.1:263 BW de bevoegdheid kan ontlenen tot het geven van contactbeperkende aanwijzingen. In onderhavig geval was geen sprake van uithuisplaatsing en heeft de GI de schriftelijke aanwijzing ter bekrachtiging aan de kinderrechter voorgelegd (art.1:263 lid 3 BW) en niet de weg van art.1:265g BW gekozen. In de aanwijzing werd aan de moeder opgedragen zich te houden aan een eerdere beschikking van de rechtbank en aldus mee te werken aan een –in tijd en plaats- uitgewerkt breng- en haalschema eens per 14 dagen. De rechtbank had in bedoelde beschikking bepaald dat de vader het kind bij zich zou hebben een weekend in de 14 dagen van vrijdag uit school tot zondag 18 uur, waarbij partijen in overleg met de GI de plaats van overdracht van de minderjarige nader zullen bepalen. De kinderrechter stelt vast dat in onderhavig geval geen sprake is van een aanwijzing die een eerdere rechterlijke beschikking opzij zet noch sprake is van een door de GI vastgestelde of gewijzigde zorgregeling zoals door de HR bedoeld. Nu het hier enkel de door de rechter aan de GI reeds opgedragen nadere uitvoering van diens beslissing betreft, stond voor de GI -naast de weg van art. 1:265g BW- ook de weg van 1:263 lid 3 BW open. De kinderrechter bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing en legt tevens een dwangsom op nu de bekrachtiging van een eerdere soortgelijke schriftelijke aanwijzing geen verandering heeft gebracht in de houding van de moeder.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: