Centrale Raad van Beroep 10 januari 2024 Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 december 2023. Gerechtshof Amsterdam 12 december 2023 Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden 4 december 2023 Raad van State 29 november 2023 Bekijk alles
ECLI:NL:RBOBR:2022:3452 Rechtbank Oost-Brabant 19 augustus 2022

ECLI:NL:RBOBR:2022:3452

Datum: 19-08-2022

Onderwerp: Middelen van bestaan

Rechtsgebiedenregister: Vreemdelingenrecht

Vindplaats: Avdr.nl



Aanvraag verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd: ‘arbeid als zelfstandige’. De vreemdeling heeft de status van langdurige ingezetene in Spanje. Richtlijn langdurig ingezetenen. Middelen van bestaan: stabiele en regelmatige inkomsten, duurzaamheidsvereiste. Individuele beoordeling.
Het duurzaamheidsvereiste is voor genoemde categorie aanvragen verder niet anderszins in (beleids)regels uitgewerkt.
De staatssecretaris heeft toegelicht dat hij ten aanzien van het duurzaamheidsvereiste wel als vaste gedragslijn hanteert dat de vreemdeling een ondernemingsplan moet overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is weliswaar deze gedragslijn bij een beginnende onderneming op zich een geschikte invulling van het duurzaamheidsvereiste, echter dit laat onverlet dat de staatssecretaris altijd een concrete beoordeling van de individuele situatie van een aanvrager moet maken. Ten tijde van het bestreden besluit bestond eisers onderneming al ruim twee jaar. Alleen al daarom kan niet langer worden gesproken van een beginnende onderneming. De staatssecretaris heeft niet duidelijk gemaakt waarom hij in dit geval onverkort vasthoudt aan de eis dat een ondernemingsplan moet worden overgelegd. Door in dit geval het arbeidsverleden op voorhand buiten beschouwing te laten, doet de staatssecretaris afbreuk aan het doel van de richtlijn en het nuttig effect ervan en laat hij na een concrete beoordeling te maken of de inkomsten van eiser (uit zijn onderneming) volstaan om hemzelf en zijn eventuele gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te moeten doen op de sociale bijstand van Nederland.
Het middelenvereiste, zoals neergelegd in artikel 3.30, eerste lid, onder b, Vb 2000, heeft mede betrekking op de langdurig ingezetene die zich in Nederland wil vestigen om arbeid als zelfstandige te verrichten. Die bepaling moet worden beschouwd als de implementatie van artikel 15, tweede lid, onder a, tweede zin, van de richtlijn. Dat heeft de regelgever ook bedoeld. Genoemde richtlijnbepaling, die gelijkluidend is met artikel 7, eerste lid, eerste lid, onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, biedt de lidstaten de ruimte te eisen dat het bewijs wordt geleverd dat de langdurig ingezetene beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Overeenkomstig laatstgenoemde bepaling beoordelen de lidstaten daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen zij rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden. Aangezien langdurig ingezetenen daadwerkelijk gebruik moeten kunnen maken van het recht van verblijf in een andere lidstaat (om daar te werken als zelfstandige), dient de bevoegdheid in artikel 15, onder a, tweede zin, van de richtlijn strikt te worden uitgelegd. Bovendien mogen de lidstaten hun handelingsvrijheid niet zo gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn en aan het nuttig effect daarvan. In alle gevallen dient een concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager worden gemaakt.
De aanvraag gaat over het verrichten van arbeid als zelfstandige. Ten aanzien van het duurzaamheidsvereiste als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder b, Vb 2000 betekent dit dat op grond van artikel 3.20, tweede lid, VV 2000 de zogeheten terugkijktermijn van anderhalf jaar en de eis dat dat de middelen nog een jaar beschikbaar zijn, zoals bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing zijn. Het duurzaamheidsvereiste is voor genoemde categorie aanvragen verder niet anderszins in (beleids)regels uitgewerkt. Daarbij wijst de rechtbank erop dat weliswaar in paragraaf B6/4.5 Vc 2000 de eis is neergelegd om een ondernemingsplan over te leggen, maar die eis is gesteld ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van Economische Zaken. Zo’n advies wordt gelet op artikel 3.30, vijfde lid, Vb 2000 niet gevraagd voor langdurig ingezetenen die zich hier te lande als zelfstandige willen vestigen. De staatssecretaris zal dan ook in alle gevallen als deze individueel moeten motiveren waarom de langdurig ingezetene niet beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand. De staatssecretaris heeft toegelicht dat hij ten aanzien van het duurzaamheidsvereiste wel als vaste gedragslijn hanteert dat de vreemdeling een ondernemingsplan moet overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is weliswaar deze gedragslijn bij een beginnende onderneming op zich een geschikte invulling van het duurzaamheidsvereiste, echter dit laat onverlet dat de staatssecretaris altijd een concrete beoordeling van de individuele situatie van een aanvrager moet maken.
De rechtbank stelt vast dat op het moment dat het bestreden besluit werd genomen eisers onderneming al ruim twee jaar bestond. Alleen al daarom kan naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van belang niet langer worden gesproken van een beginnende onderneming. De staatssecretaris heeft niet duidelijk gemaakt waarom hij in dit geval onverkort vasthoudt aan de eis dat een ondernemingsplan moet worden overgelegd. De staatssecretaris wijst er weliswaar op dat de hier aan de orde zijnde overeenkomsten van opdrachten makkelijk opzegbaar zijn, maar dat heeft er kennelijk niet aan in de weg gestaan dat eiser al ruim twee jaar lang met zijn onderneming op basis van dergelijke overeenkomsten inkomsten heeft verworven. Hieruit blijkt juist dat eiser in staat is zijn onderneming te continueren. Door in dit geval het arbeidsverleden op voorhand buiten beschouwing te laten, doet de staatssecretaris afbreuk aan het doel van de richtlijn en het nuttig effect ervan en laat hij na een concrete beoordeling te maken of de inkomsten van eiser (uit zijn onderneming) volstaan om hemzelf en zijn eventuele gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te moeten doen op de sociale bijstand van Nederland.

Ga naar uitspraak
Spreker(s)