ECLI:NL:RBOBR:2021:5455

Datum: 28-09-2021

Onderwerp: Uithuisplaatsing I ECLI:NL:PHR:2021:57ECLI:NL:HR:2021:748ECLI:NL:RBROT:2021:10453ECLI:NL:RBOBR:2021:5455ECLI:NL:RBROT:2021:8055ECLI:NL:GHSHE:2021:3324

Rechtsgebiedenregister: Personen- en familierecht, Jeugdrecht civiel

Vindplaats: Extern

De rechtbank is van oordeel dat ook tijdens de gezinsopname sprake is van een uithuisplaatsing van de minderjarige, waarvoor een machtiging van de rechtbank is vereist, ook al zullen de ouders en de minderjarige bij de gezinsopname samen zijn. Bij een uithuisplaatsing bepaalt de GI – binnen de grenzen van de rechterlijke machtiging – waar de minderjarige verblijft. De beslissingsbevoegdheid over de verblijfplaats van de minderjarige ligt dus niet langer bij de ouder(s) met gezag. De rechtbank is van oordeel dat dit bij de beoogde gezinsopname van de minderjarige en zijn ouders ook het geval is. De ouders mogen bij de gezinsopname niet zelf besluiten om de minderjarige mee naar huis te nemen of elders te laten verblijven. Tijdens de gezinsopname zal sprake zijn van 24-uurs begeleiding en -toezicht, zodat de zeggenschap over de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige bij de gezinsopname niet volledig bij de ouders ligt. Dat sluit eveneens aan bij het karakter van een uithuisplaatsing. Ook het feit dat de ouders instemmen met de gezinsopname en een spoedmachtiging kan worden verzocht als zij de minderjarige toch dreigen mee te nemen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De wet schrijft voor dat een minderjarige die onder toezicht is gesteld slechts met een machtiging uit huis kan worden geplaatst. Dit vereiste van een machtiging tot uithuisplaatsing is mede bedoeld om te voorkomen dat een spoedsituatie ontstaat als gevolg van het voortijdig afbreken van een vrijwillige uithuisplaatsing.

Ga naar uitspraak