ECLI:NL:RBROT:2021:1043

Rechtbank:Rechtbank Rotterdam

Datum: 13-01-2021

Onderwerp: Plan van aanpak

Rechtsgebiedenregister: Psychiatrisch patiëntenrecht

Vindplaats: Extern


Inhoudsindicatie:

Afwijzing zorgmachtiging artikel 6:4 Wvggz.

Zaak eerder aangehouden om een plan van aanpak op te stellen. Het plan van aanpak is volgens de behandelaar onvoldoende om het ernstig nadeel te voorkomen. De rechtbank overweegt dat van de behandelaren verwacht had mogen worden dat ze de betrokkene hadden ondersteund bij het opstellen van een dergelijk plan en ook daarbij de advocaat hadden betrokkene. Dat de betrokkene zijn medicatie snel wil afbouwen is onvoldoende om te concluderen dat een plan van aanpak geen kans van slagen heeft. De ambivalentie die betrokkene laat zien ten aanzien van medicatie had bijvoorbeeld in een zelfbindingsverklaring of eventueel in combinatie met een signaleringsplan ondervangen kunnen worden. De alternatieven zijn niet goed onderzocht waardoor de rechtbank niet kan vaststellen dat er geen minder ingrijpend alternatief is voor de zorgmachtiging. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek af.


Uitspraak:

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie

Zaak-/rekestnummer: C/10/608749 / FA RK 20-9313
Betrokkenenummer: [nummer]

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 13 januari 2021 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)

op verzoek van:

de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier,

met betrekking tot:

[naam betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
wonende aan [adres betrokkene] ,
advocaat mr. M.H. de Lange te Vlaardingen.

1. Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

1. Het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 27 november 2020. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

de medische verklaring opgesteld door [naam 1] , psychiater, van 16 november 2020;

de zorgkaart van 23 oktober 2020;

het zorgplan van 29 oktober 2020;

de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;

de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wvggz;

de relevante politiegegevens en strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene.

2. De mondelinge behandeling van 16 december 2020. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de zaak aangehouden tot 13 januari 2021 om partijen in de gelegenheid te stellen een plan van aanpak op te stellen.

3. De volgende ingekomen stukken:

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 16 december 2020;

het plan van aanpak van 5 januari 2021;

de bevindingen van de geneesheer-directeur over het plan van aanpak.

1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 13 januari 2021. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:

betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;

[naam 2] , behandelaar, verbonden aan Fivoor.

2. Beoordeling

2.1.

De rechtbank heeft op 16 december 2020 de behandeling van deze zaak aangehouden om de betrokkene de gelegenheid te geven een eigen plan van aanpak op te stellen. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of betrokkene hier in is geslaagd en wat dit betekent voor de zorgmachtiging.
De behandelaar geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat een zorgmachtiging nog altijd noodzakelijk om het ernstig nadeel te voorkomen. Dit zou ook blijken uit de medische verklaring. Betrokkene toont volgens de behandelaar onvoldoende bereidheid voor het blijven innemen van zijn medicatie en is met name bezig om die medicatie af te bouwen. Daarom is het plan van aanpak zoals het er nu ligt onvoldoende. De behandelaar geeft ook aan dat er op voorhand al geen vertrouwen was dat een eigen plan van aanpak door betrokkene kans van slagen zou hebben en dat een zorgmachtiging daarmee voorkomen zou kunnen worden.
De advocaat van betrokkene verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat zij meermaals aan Fivoor heeft laten weten dat zij bij het opstellen van het plan van aanpak betrokken wilde worden. Zij kreeg hiervoor geen ruimte en daarom is het plan van aanpak te mager. Een goed signaleringsplan en een zelfbindingsverklaring zijn niet besproken. Het is ook tijdens de mondelinge behandeling niet duidelijk geworden waarom de advocaat niet in de gelegenheid is gesteld om mee te denken over het plan van aanpak, een signaleringsplan en een zelfbindingsverklaring. De behandelaar was er niet van op de hoogte dat de advocaat contact had gezocht en zij wist ook niet waarom dit door haar collega is afgehouden. De advocaat van betrokkene stelt dat door Fivoor onvoldoende is geprobeerd om betrokkene een goed plan van aanpak te laten opstellen. Zij verzoekt de rechtbank daarom het verzoek af te wijzen.

2.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De Wvggz biedt betrokkenen de mogelijkheid om een eigen plan van aanpak op te stellen, zodat een zorgmachtiging niet nodig is of er rekening gehouden kan worden met de wensen van betrokkene bij het bepalen van de vormen van zorg. Ook biedt de wet de mogelijkheid tot het opstellen van een zelfbindingsverklaring waarin afspraken over medicatie gemaakt kunnen worden. De rechtbank heeft in dit geval de zaak aangehouden op verzoek van betrokkene om hem in de gelegenheid te stellen een dergelijk plan van aanpak op te stellen. Van de behandelaren had verwacht mogen worden dat ze – ondanks de bedenkingen die er waren– de betrokkene hadden ondersteund bij het opstellen van een dergelijk plan en ook de advocaat van betrokkene daarbij hadden betrokken. De betrokkene wil zijn medicatie graag snel en helemaal afbouwen maar dat is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat een eigen plan van aanpak geen enkele kans van slagen heeft. De ambivalentie die betrokkene laat zien ten aanzien van medicatie had bijvoorbeeld in een zelfbindingsverklaring ondervangen kunnen worden, eventueel in combinatie met een signaleringsplan. Pas als die alternatieven goed onderzocht zijn, kan de rechtbank vaststellen dat er geen minder ingrijpend alternatief is voor de zorgmachtiging. Om die reden zal de rechtbank de zorgmachtiging afwijzen.

2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is ten onrechte door de rechter aangegeven dat de nieuwe medische verklaring opgesteld door een onafhankelijk psychiater niet is verstrekt aan de rechtbank. Het blijkt dat de nieuwe medische verklaring wel bij de administratie van de rechtbank is binnengekomen, maar niet tijdig is doorgestuurd naar de betrokken rechter. Dat neemt niet weg dat de rechtbank gezien bovenstaande van oordeel is dat ook met inachtneming van de medische verklaring, het verzoek moet worden afgewezen.

3. Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is op 13 januari 2020 mondeling gegeven door mr. B. Krijnen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Smolders, griffier en op 22 januari 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.