Hoge Raad 19 december 2025 Gerechtshof Amsterdam 9 december 2025 Hoge Raad 28 november 2025 Parket bij de Hoge Raad 28 november 2025 Rechtbank Gelderland 31 oktober 2025 Bekijk alles
ECLI:NL:RBROT:2022:6743 Rechtbank Rotterdam 14 juli 2022

ECLI:NL:RBROT:2022:6743

Rechtbank:Rechtbank Rotterdam

Datum: 14-07-2022

Onderwerp: Vordering toegang woning

Rechtsgebiedenregister: Huurrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

Kort geding. Voortgezet gebruik woning.


Uitspraak:

vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/639815 / KG ZA 22-495

Vonnis in kort geding van 14 juli 2022

in de zaak van

[persoon A]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. S.A. Chedie te Rotterdam,
voor wie waarnam mr. M. Ahmadi te Rotterdam,

tegen

[persoon B]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. I. van Troost te Rotterdam.

Partijen worden hierna [persoon A] en [persoon B] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 24 juni 2022 met producties 1 tot en met 3

productie 4 van [persoon A]

de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie van [persoon B] met één productie

de mondelinge behandeling gehouden op 6 juli 2022.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad die begin maart 2022 is beëindigd.

2.2.
Partijen zijn met ingang van 11 februari 2014 in een van Stichting Havensteder gehuurde woning aan het adres [adres] te [postcode] Rotterdam gaan samenwonen (hierna: de Woning). Na beëindiging van de relatie is [persoon B] op 5 maart 2022 uit de Woning vertrokken om daarin kort daarna terug te keren. [persoon A] heeft op het moment van terugkeer van [persoon B] de Woning verlaten. De huur en de vaste lasten worden tot nu toe door partijen bij helfte betaald.

2.3.
In de huurovereenkomst staat:

[ Afbeelding met daarin info over persoon A en persoon B ]

2.4.

[persoon A] beschikt over een detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd voor 32 uur per week, waarmee zij inkomsten uit arbeid genereert. [persoon B] ontvangt een Wajonguitkering en verricht geen arbeid.

3.Het geschil in conventie

3.1.

[persoon A] vordert (zakelijk weergegeven) om bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te bepalen dat [persoon B] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [persoon A] toegang tot de Woning verschaft, op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [persoon B] in gebreke blijft om aan het in dezen door UEA te wijzen vonnis te voldoen tot een maximum van € 20.000,00;

[persoon B] te veroordelen tot afgifte van de sleutels van de Woning en deze ter vrije en algemene beschikking van [persoon A] te stellen en te bepalen dat [persoon A] vanaf acht dagen na betekening van dit vonnis met uitsluiting van [persoon B] gerechtigd is tot het gebruik van de Woning en de zich daar bevindende inboedel, met bevel aan [persoon B] om de Woning te verlaten en verder niet meer te betreden, behoudens met voorafgaande toestemming van [persoon A] , op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [persoon B] in gebreke blijft om aan het in dezen door UEA te wijzen vonnis te voldoen tot een maximum van € 20.000,00;

[persoon B] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[persoon B] voert verweer.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.Het geschil in reconventie

4.1.

[persoon B] vordert (zakelijk weergegeven) om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te bepalen dat [persoon B] met uitsluiting van [persoon A] gerechtigd is tot het gebruik en bewoning van de Woning met bijhorende inboedel;

[persoon A] te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het vonnis de Woning te verlaten en niet meer te betreden, onder afgifte van alle nog in haar bezit zijnde sleutels aan [persoon B] ;

[persoon A] te veroordelen om zich binnen vijf (werk)dagen na betekening van het vonnis te laten uitschrijven op het adres van de Woning, op verbeurte van een dwangsom van

€ 100,00 per dag dat zij hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00;
4. kosten rechtens.

4.2.

[persoon A] voert verweer.

4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie behandelt de voorzieningenrechter deze gezamenlijk.

5.2.
De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang zowel in conventie als in reconventie, gelet op de aard van de vorderingen, gegeven.

5.3.
In dit kort geding dient, mede op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vorderingen van partijen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening. Daarbij dient de voorzieningenrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte toetsing daarvan, omdat een kortgedingprocedure zich niet leent voor nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.4.
Nu voor de voorzieningenrechter voldoende duidelijk is dat partijen het gezamenlijk gebruik van de Woning, gelet op de gespannen situatie tussen hen, niet kunnen hervatten, zoals [persoon B] oppert, willen beide partijen met uitsluiting van de ander het gebruik van de Woning. Bij de vraag welke partij het voortgezet gebruik van de Woning toegewezen krijgt, gaat het om een belangenafweging waarbij alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.

5.5.

[persoon A] stelt dat de Woning aan haar als hoofdhuurder moet worden toegewezen. Dat zij hoofdhuurder is van de Woning en [persoon B] medehuurder kan volgens [persoon A] worden afgeleid uit de tekst van de huurovereenkomst zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven. [persoon B] staat op de huurovereenkomst tussen haakjes, wat er volgens [persoon A] mee te maken heeft dat de Woning op basis van haar inschrijving op de sociale huurmarkt in Rotterdam en op basis van haar inkomen aan partijen is toegewezen. Daarnaast stelt [persoon A] dat zij, in tegenstelling tot [persoon B] , in staat is de volledige huur en de daarmee verbonden vaste lasten van de Woning te betalen en dan nog voldoende overhoudt om van te leven. Daartoe heeft zij productie 4 overgelegd. Ook stelt [persoon A] dat zij de inboedel in en het opknappen van de Woning voor haar rekening heeft genomen.
Daartegenover staat dat [persoon B] de stellingen van [persoon A] weliswaar heeft betwist, maar die betwisting niet nader heeft onderbouwd of daar relevante stukken van heeft overgelegd.

Verder heeft [persoon A] onweersproken gesteld dat zij sinds haar vertrek uit de Woning noodgedwongen verblijft op verschillende locaties (o.a. op straat) en enkel voor korte spanningsvolle perioden bij haar psychisch zieke vader kan verblijven. Gelet daarop en gelet op de feitelijke mogelijkheid die [persoon B] heeft om bij zijn moeder te verblijven, terwijl hij niet concreet heeft gesteld waar [persoon A] anders terecht kan, is aannemelijk dat [persoon B] na het verlaten van de Woning sneller (tijdelijk) acceptabel onderdak zal vinden dan [persoon A] . Dat [persoon B] emotioneel gebonden is aan de Woning in zijn geboortestad doet daaraan niet af.

5.6.
Gelet op dit alles wijst de voorzieningenrechter de vorderingen in conventie van [persoon A] toe op de wijze als hierna in het dictum bepaald en wel voor de periode totdat in een nog te entameren bodemprocedure is beslist aan wie van partijen het huurrecht van de Woning toekomt. In het verlengde daarvan worden de vorderingen van [persoon B] in reconventie afgewezen. De voorzieningenrechter acht de door [persoon A] gevorderde termijnen waarbinnen [persoon B] aan [persoon A] toegang tot de Woning moet verschaffen en hij de Woning moet hebben verlaten te kort en stelt beide termijnen daarom in redelijkheid op uiterlijk veertien dagen na betekening. De gevorderde dwangsommen worden beperkt en gemaximeerd als volgt.

5.7.
Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten in conventie en in reconventie, zoals gebruikelijk is in dit soort geschillen, tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing
De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.
veroordeelt [persoon B] om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [persoon A] de sleutels van de Woning af te geven en haar de toegang tot de Woning te verschaffen,

6.2.
bepaalt dat [persoon A] uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met uitsluiting van [persoon B] gerechtigd is tot het gebruik van de Woning en de zich daar bevindende inboedel, met bevel aan [persoon B] om de Woning te verlaten en verder niet meer te betreden, behoudens met voorafgaande toestemming van [persoon A] , zulks voor de duur van een nog te entameren bodemprocedure totdat is beslist aan wie van partijen het huurrecht van de Woning toekomt,

6.3.
veroordeelt [persoon B] om aan [persoon A] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 6.1 en 6.2 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

6.4.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.7.
wijst de vorderingen af,

6.8.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2022.1734/1659

Spreker(s)

mr. Jeroen Groenewoud

advocaat Corten De Geer Advocaten