Hoge Raad 19 september 2025 Hoge Raad 5 september 2025 Hoge Raad 18 juli 2025 Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2025 Hoge Raad 11 juli 2025 Bekijk alles
ECLI:NL:RBSHE:2010:BL7905 Rechtbank 's-Hertogenbosch 10 maart 2010

ECLI:NL:RBSHE:2010:BL7905

Rechtbank:Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum: 10-03-2010

Onderwerp: Is de (onder)aannemer gebonden aan de afspraken Opdrachtgever - Hoofdaannemer

Overige onderwerpen: Is sprake van onderaanneming?

Rechtsgebiedenregister: Vastgoedrecht

Vindplaats: Avdr.nl


Inhoudsindicatie:

In hoofdzaak is een geschil tussen een onderaannemer (eiseres) en een aannemer (gedaagde) aanhangig. In incident vordert de aannemer vóór alle weren dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard. Daarbij doet aanemer een beroep op haar algemene voorwaarden, waarin in artikel 16 voor de wijze van geschillenbeslechting naar de overeenkomst tussen de aannemer en opdrachtgever wordt verwezen. In laatstgenoemde overeenkomst is de geschillenregeling van de "U.A.V. 1989" van toepassing verklaard, waarin een arbitraal beding is opgenomen. Onderaannemer doet een beroep op de vernietigbaarheid ingevolge artikl 6:233 onder b juncto 6:234 BW van artikel 16 van de algemene voorwaarden van de aannemer. Dit beroep slaagt. De algemene voorwaarden van de aannemer zijn van toepassing en aan de onderaannemer overgelegd, maar de aannemer heeft de met de opdrachtgever gesloten overeenkomst niet aan de onderaannemer ter hand heeft gesteld. Bovendien blijkt uit de algemene voorwaarden van de aannemer niet op welke wijze in de overeenkomst tussen de aannemer en de opdrachtgever in geschillenbeslechting is voorzien. Daardoor heeft de aannemer de onderaannemer niet een redelijke mogelijkheid geboden om van de volledige inhoud van de algemene voorwaarden kennis te nemen.


Uitspraak:

vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 196353 / HA ZA 09-1606

Vonnis in incident van 10 maart 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ELRO BOUW B.V.,
gevestigd te Someren,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. P.A. Schippers,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HOUTA BOUW B.V.,
gevestigd te Geldrop,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. M. Westphal.

Partijen zullen hierna Elro en Houta genoemd worden.

1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis in het incident van 30 september 2009
- de akte van Houta van 21 oktober 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident
2.1. De rechtbank heeft Houta bij het tussenvonnis van 30 september 2009 in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het verweer van Elro, waaronder een beroep op de vernietigbaarheid ingevolge artikel 6:233 onder b juncto 6:234 BW van artikel 16 van de algemene voorwaarden van Houta. Houta heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt, waarna Elro, hoewel daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, niet een antwoordakte heeft genomen.

2.2. Artikel 16 van de algemene voorwaarden van Houta (productie 2 bij dagvaarding) luidt als volgt:

“Alle geschillen - daaronder begrepen die, welke slechts door een der partijen als zodanig worden beschouwd - die naar aanleiding van deze overeenkomst of van overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel zijn, tussen aannemer en onderaannemer mochten ontstaan, worden beslecht op de wijze zoals in de overeenkomst tussen aannemer en diens opdrachtgever is voorzien ten aanzien van eventuele geschillen tussen de aannemer en diens opdrachtgever.”

2.3. Artikel 9 van de overeenkomst tussen de aannemer (rechtbank: Houta) en diens opdrachtgever luidt als volgt:

“De geschillenregeling van de U.A.V. 1989 is van toepassing. De procedure bij de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland zal geen openbaar karakter hebben.”

2.4. Vaststaat dat Houta haar algemene voorwaarden, waaronder voornoemd artikel 16,
vóór of bij het sluiten van de overeenkomsten met Elro aan Elro ter hand heeft gesteld.
Evenwel staat tevens vast dat Houta de door haar met de opdrachtgever gesloten overeenkomst, waarnaar in artikel 16 van haar algemene voorwaarden ter bepaling van de wijze van geschillenbeslechting wordt verwezen, niet vóór of bij het sluiten van de overeenkomsten met Elro aan Elro ter hand heeft gesteld. Nu bovendien uit artikel 16 niet blijkt op welke wijze in de overeenkomst tussen Houta en haar opdrachtgever in geschillenbeslechting is voorzien, heeft Houta in zoverre aan Elro niet een redelijke mogelijkheid geboden om van de volledige inhoud van de algemene voorwaarden kennis te nemen.
Niet gesteld of gebleken is dat het voor Houta redelijkerwijs niet mogelijk was om
aan Elro de met de opdrachtgever gesloten overeenkomst ter hand te stellen teneinde Elro een redelijke mogelijkheid te bieden om kennis te nemen van het in die overeenkomst in artikel 9 opgenomen arbitraal beding.
Houta stelt in haar akte van 21 oktober 2010 dat Elro, als professionele partij, en haar raadsman er bekend mee zijn, althans behoren ermee bekend te zijn dat bouwgerelateerde geschillen in de regel beslecht worden door de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland (hierna: de Raad van Arbitrage) en niet door de gewone rechter. Wat daar ook van zij, het enkele feit dat in bouwzaken doorgaans een dergelijke wijze van geschillenbeslechting plaatsvindt, sluit niet uit dat daar in een concreet geval van wordt afgeweken. De stelling van Houta leidt dan ook niet tot de conclusie dat Elro ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten met Houta bekend was dan wel geacht kon worden bekend te zijn met de concrete inhoud van de in artikel 16 van de algemene voorwaarden bedoelde wijze van geschillenbeslechting. Evenmin is anderszins gesteld of gebleken van feiten en omstandigheden die deze conclusie rechtvaardigen.
Uit het in de artikelen 6:233 onder b BW juncto artikel 6:234 BW gehanteerde systeem volgt verder niet dat op de wederpartij van de gebruiker van algemene voorwaarden ter zake van de inhoud van deze voorwaarden een onderzoeksplicht rust. Houta heeft in haar akte van 21 oktober 2010 dan ook ten onrechte Elro tegengeworpen dat zij heeft nagelaten bij Houta of de raadsman van Houta te informeren of de Raad van Arbitrage of de gewone rechter bevoegd was om van geschillen tussen Elro en Houta kennis te nemen.
Het standpunt van Houta dat onderhavig geschil beter door de Raad van Arbitrage als bouwdeskundig arbiter dan door de gewone rechter kan worden beoordeeld en beslecht, wat daar ook van zij, kan niet leiden tot het oordeel dat aan Elroeen beroep op vernietigbaarheid zou moeten worden ontzegd.

2.5. Gezien het voorgaande roept Elro met recht op grond van het bepaalde in artikel 6:233 onder b BW juncto artikel 6:234 BW de vernietigbaarheid in van artikel 16 van de algemene voorwaarden van Houta. Nu de incidentele vordering reeds gelet daarop dient te worden afgewezen, behoeven de overige weren geen bespreking meer.

2.6. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3. De beslissing
De rechtbank

in het incident
3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak
3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 april 2010 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.