Hoge Raad 10 september 2013

ECLI:NL:HR:2013:670

Datum: 10-09-2013

Onderwerp(en): Mensenhandel

Rechtsgebiedenregister: Strafrecht

OM-cassatie. Art. 273f.1 onder 3 Sr. Grondslagverlating. Mede gelet op de wetsgeschiedenis moet art. 273f.1 onder 3 Sr aldus worden uitgelegd dat het oogmerk van verdachte erop gericht moet zijn dat de betrokkene zich in een ander land dan waar deze is aangeworven, meegenomen of ontvoerd, beschikbaar stelt tot het verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen. Door het bestanddeel ‘in een ander land’ te koppelen aan de gedraging ‘ertoe te brengen’ heeft het Hof derhalve een te beperkte en dus onjuiste betekenis toegekend aan die in de tll voorkomende termen die aldaar zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 273f.1 onder 3 Sr. Door verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken heeft het Hof hem dus vrijgesproken van iets anders dan was tenlastegelegd. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2000:ZD1788 m.b.t. de term ‘aanwerven’ a.b.i. art. 250ter (oud) Sr en ECLI:NL:HR:1999:AB9475 m.b.t. de term ‘het tot prostitutie brengen’ a.b.i. art. 250(ter) Sr. Mede gelet hierop verdient nog opmerking dat ook v.zv. het oordeel van het Hof zou zijn gebaseerd op de opvatting dat ‘reeds gevormde wilsbesluiten van de aangeefsters’ aan de toepasselijkheid van art. 273f.1 onder 3 Sr in de weg staan, dat oordeel berust op een verkeerde rechtsopvatting.

Uitspraken met hetzelfde onderwerp: