ECLI:NL:HR:2019:151
Rechtbank:Hoge Raad
Datum: 19-02-2019
Onderwerp: Opzet en schuld III
Overige onderwerpen: Opzet en schuld, Schuld, Subjectieve component
Rechtsgebiedenregister: Strafrecht
Vindplaats: Avdr.nl
Inhoudsindicatie:
OM-cassatie tegen vrijspraak art. 6 WVW 1994. Dodelijk verkeersongeval in Exloo. Schuld? Verdachte, die kort te voren amfetamine had gesnoven, heeft in flauwe bocht controle over door hem bestuurde personenauto verloren, waarna auto in botsing is gekomen met in berm staande boom als gevolg waarvan passagier om het leven is gekomen. Hof acht niet bewezen dat ongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig of onoplettend verkeersgedrag van verdachte, nu oorzaak van verlies controle over voertuig niet vaststaat en omstandigheid dat rijvaardigheid waarschijnlijk negatief is beïnvloed door amfetaminegebruik onvoldoende is om zelfstandig dat oordeel te dragen. Heeft Hof toetsingskader m.b.t. schuld a.b.i. art. 6 WVW 1994 miskend of is oordeel Hof niet begrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd? HR: art. 81.1 RO.
Uitspraak:
19 februari 2019
Strafkamer
nr. S 17/04209
CeH/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 17 februari 2017, nummer 21/006117-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording va n rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019.