De Nomads-zaak in het kader van het bewijsrecht – Had het Openbaar Ministerie deze zaak überhaupt wel moeten beginnen?

Op vrijdag 13 februari 2004 werden in de Geleenbeek bij Echt de lichamen van 3 mannen aangetroffen, gestript van hun ‘Colors’ en vervolgens om het leven gebracht door vuurwapengeweld. Het bleek te gaan om P.d.V., C.P. en S.W., wie bij leven lid waren van het Limburgse Chapter van de motorclub de Hells Angels, de Nomads.

Wat volgde was een grootschalig onderzoek wat aanwijzingen opleverde om te kunnen concluderen dat de 3 slachtoffers op 11 februari 2004 om het leven zijn gebracht tijdens een ‘clubmeeting’ in het clubhuis van de Nomads in Oirsbeek en waarna de lichamen zouden zijn vervoerd om vervolgens in de Geleenbeek te worden gedumpt. Tijdens de clubmeeting zouden alle leden van het Limburgse Chapter van de Hells Angels aanwezig zijn geweest, met uitzondering van een enkeling die een zwaarwegende reden had om deze clubmeeting niet bij te (kunnen) wonen.

Op donderdag 17 maart 2005 stonden 15 verdachten terecht bij de Rechtbank Amsterdam voor deze drievoudige moord. 12 van hen werden, alles afwegende, door de Rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren voor de doodslag op P.d.V. Van de moord dan wel doodslag op C.P. en S.W. werden alle verdachten vrijgesproken. Rechtbank Amsterdam acht alle aanwezigen verantwoordelijk voor de dood van P.d.V. maar neemt geen gezamenlijke verantwoordelijkheid aan voor de dood van C.P. en S.W., omdat er tijdens de schietpartij waarbij laatstgenoemden zijn omgekomen geen tijd en gelegenheid was om weg te gaan of iets te ondernemen wat hun dood had kunnen voorkomen, terwijl daarvan in het geval van P.d.V. wel sprake was. Dat alle verdachten zowel van de moord als van de doodslag op C.P. en S.W. moesten worden vrijgesproken, achtte de Rechtbank Amsterdam uiterst onbevredigend gegeven dat deze ook de dader of daders betrof. Duidelijk geworden was immers in welke kring zij gezocht moesten worden, namelijk één of meer van de verdachten. De Rechtbank kon zich dan ook voorstellen dat deze vrijspraak voor de nabestaanden verbijsterend overkwam. Zodoende vervolgde de Rechtbank Amsterdam: “Maar de Rechtbank kan niet anders. De enige methode om de schutters achter de tralies te krijgen, is alle verdachten die in de meetingroom waren te veroordelen. Dan is zeker dat de dader of daders gepakt zijn. Maar dan staat ook vast dat mogelijk personen die part noch deel aan het gebeuren hebben worden veroordeeld en dat zou niet terecht zijn. Aanvaard moet worden dat schuldigen de dans ontspringen om daarmee te bereiken dat onschuldigen niet ten onrechte in het gevang komen. Dit is een hoge prijs maar die moet worden betaald (Vonnis Rechtbank Amsterdam d.d. 17 maart 2005, ECLI:RBAMS:2005:AT0873).”

Zowel de 12 veroordeelden als het Openbaar Ministerie gingen in beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Amsterdam. Zodoende werden alle verdachten op vrijdag 15 juni 2007 door het Gerechtshof te Amsterdam integraal vrijgesproken van de drievoudige moord op P.d.V., C.P. en S.W. Volgens Gerechtshof Amsterdam gold, alles overziende, voor alle 15 verdachten dat op grond van de bevindingen en onbeantwoorde vragen de eindconclusie moest zijn dat noch het individueel plegen, noch het medeplegen van één of meer van de levensberovingen bewezen kon worden geacht en dat voor dit feit voor alle verdachten dus vrijspraak diende te volgen. Hier voegde zij aan toe dat ook als het Gerechtshof buiten twijfel zou achten dat de levensberovingen in aanwezigheid van nagenoeg alle verdachten in de meetingroom hebben plaatsgevonden, dan nog niet kon worden vastgesteld wie van de verdachten zich al dan niet had aangesloten bij het opzet van diegenen die de dood van de slachtoffers hebben gewild en uitgevoerd. Het Gerechtshof te Amsterdam vervolgde: “Geen rechtsstaat kan zich permitteren dat onschuldigen worden bestraft. Dat is een grondbeginsel dat óók moet gelden indien het meebrengt dat wel-schuldigen aan zeer ernstige misdrijven vrijuit gaan. Juist in deze strafzaak zal dat laatste voor velen, onder wie met name de nabestaanden van de slachtoffers, buitengewoon bitter en moeilijk te aanvaarden zijn. Dat is zeer begrijpelijk, maar onvermijdelijk (Vonnis Gerechtshof te Amsterdam d.d. 15 juni 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7689).”

Wat nu het opvallende was in de Nomads-zaak? Dat het Openbaar Ministerie, gegeven haar bewijspositie, deze zaak nooit had moeten beginnen. Enig bewijs tegen de individuele verdachten zat immers niet in het dossier; in ieder geval was er geen enkel bewijs aanwezig om de verdachten te veroordelen voor hetgeen aan ieder van hen individueel ten laste was gelegd. Voor die reden zag het Gerechtshof in tegenstelling tot de Rechtbank, dan ook geen enkele mogelijkheid tot veroordeling. Zodoende volgde integrale vrijspraak voor alle 12 in hoger beroep gegane verdachten, wat betekende dat voor de drievoudige moord binnen het Limburgse Chapter van de motorclub de Hells Angels, de Nomads, nooit iemand veroordeeld zou worden.






Jurisprudentie

Rechtbank Amsterdam 17 maart 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AT0873
Gerechtshof Amsterdam 15 juni 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7689