prof. mr. dr. Anna Gerbrandy
hoogleraar Universiteit Utrecht
Anna Gerbrandy is hoogleraar Mededingingsrecht aan de Universiteit Utrecht
Wat heeft AI al veranderd aan je werk als advocaat/ wetenschapper?
Als ik AI opvat als ‘generatieve AI’, dan heeft AI heeft als gebruikstechnologie mijn wetenschappelijke werk, qua
onderzoek, niet veel veranderd. Ik gebruik zelf generatieve AI erg weinig in het schrijfproces. Maar het onderwerp van het onderzoek dat ik de afgelopen jaren, mede dankzij een ERC grant, heb kunnen uitvoeren gaat nu juist over de macht van grote technologie-ondernemingen. AI-capaciteiten maken daarvan natuurlijk een (groot) deel uit. De centrale onderzoeksvraag die ik met mijn team heb onderzocht is: past het mededingingsrechtelijk begrip van ‘marktmacht’ wel op het soort macht van deze grote ondernemingen? Zou je niet een ander, meer complex,
begrip/concept van macht moeten hanteren? Want alleen als je een complexer concept gebruikt en beter begrijpt wat deze macht eigenlijk is - meer dan marktmacht, maar ook, bijvoorbeeld, macht in het politieke domein, in het sociale domein en over privélevens van mensen - kun je de negatieve gevolgen van die macht met het mededingingsrecht daadwerkelijk vastpakken, en redresseren. De ontwikkeling van AI-capaciteiten, inclusief rekenkracht, heeft de machtige posities van enkele grote bedrijven - en daarmee de reikwijdte van hun mogelijke negatieve impact op economie en samenleving alleen maar versterkt. Als wetenschapper geef ik ook onderwijs. Daarin is met name generatieve ai een thema vanwege de grote impact op het leerproces (en dus: tentaminering) van studenten. Tegelijkertijd is het onontkoombaar om met studenten na te gaan hoe generatieve ai het leerproces, en uiteindelijk in het werk, kan ondersteunen.
Maak je je zorgen over AI in de juridische praktijk? Waarom wel of niet?
Ik maak mij meer in algemene zin zorgen over de impact van AI op de maatschappij. Dat gaat bijvoorbeeld over de impact van AI op werk (werkgelegenheid, arbeidsproductiviteit, kwaliteit van werk). Als Kroonlid van de Sociaal Economische Raad heb ik de commissie voorgezeten die en advies over dit thema heeft uitgebracht. In
dat advies stellen we vast dat niet alleen de ontwikkeling van AI, maar ook de implementatie in allerlei processen, niet vanzelf gaat. Daar zijn we zelf bij. Dat betekent dat de overheid, maar ook werkgevers en werknemers bij AI adoptie - wat een belangrijke stap kan zijn voor economische welvaart, en bij kan dragen aan de arbeidsmarktkrapte in bijvoorbeeld de zorgsector - steeds deze technologische innovatie moeten inbedden in de sociale systemen. Dus: sociale innovatie, door mensen blijven te betrekken bij de vormgeving, het gebruik, en de
doorontwikkeling van AI. Dit alles geldt ook voor de juridische praktijk. Ik zou wel specifiek aandacht willen blijven vragen voor de vraag hoe generatieve AI wel of niet kan worden ingezet in de rechtspraak.
Wat verwacht je dat AI de komende vijf jaar gaat veranderen aan het recht?
In ‘mijn’ deel van het recht gaat het vooral over het reguleren van AI als technologie. Dit is het Europese mededingingsrecht, de EU-wetgeving in het DMA, DSA, AI-act pakket; maar ook regulering van media en het borgen van pluriformiteit van media. Het gaat dan om bijvoorbeeld verantwoord gebruik van AI als technologie, het bewaken van fundamentele rechten en het tegengaan van mis- en disinformatie. Hoewel er een zeer omvangrijk wetgevend pakket net min of meer is afgerond, verwacht ik niet dat hier stilgestaan kan worden. Ons onderzoek heeft bijgedragen aan een breder begrip van macht van grote technologie ondernemingen en ontwikkeling van het mededingingsrecht. Ook dat staat niet stil. In bredere zin zullen in vrijwel alle onderdelen van het recht vraagstukken rondom gebruik van AI een rol spelen: van het bestuursrecht (beslissingen van de overheid waarbij AI/algoritmes worden gebruikt), tot het oorlogsrecht (autonome wapens).
Hoe ziet een gemiddelde werkdag eruit?
Ik heb eigenlijk geen gemiddelde werkdag, omdat ik als hoogleraar veel rollen heb. Een gemiddelde week omvat: een of twee dagen Den Haag, vanwege mijn werkzaamheden als Kroonlid (lid dagelijks bestuur SER, voorzitter commissie Europa, voorzitter commissie Toekomstperspectief Landbouw, co-voorzitter Domeincommissie
Waardig Werk); minimaal twee dagen Universiteit Utrecht, waar ik combineer: wetenschappelijk codirecteur (met Rutger Claassen) van het Strategisch Thema Instituties voor Open Samenlevingen - een bestuurlijke functie met een flinke interdisciplinair-inhoudelijke component -, eigen onderzoek (inclusief aio-begeleiding), onderwijs in verschillende vakken, inclusief scriptiebegeleiding. Regelmatig presentaties/workshops/ conferenties, in binnen- en zo nu en dan buitenland. Contacten met stakeholders in mijn vakgebied, in Nederland en de EU. Een typische werkdag bestaat dus uit: met de trein of anderszins ergens heen reizen, veel gesprekken, bijeenkomsten, overleggen en vergaderingen. Daar de voorbereiding van (veel lezen; presentaties voorbereiden). College geven
(en voorbereiden); scripties begeleiden (in het voorjaar). En in de tijd die overblijft wetenschappelijk onderzoek doen (lezen, praten, schrijven, meer lezen, presenteren en bediscussiëren, herschrijven herhaal een aantal x).
Heb je bewust voor een carrière in de wetenschap/advocatuur gekozen?
Ik heb in mijn jeugd nooit gedacht ‘ik word hoogleraar’. Ik ben na mijn afstuderen begonnen in de advocatuur, ben toen overgestapt naar de rechtbank (als senior juridisch medewerker), en pas na een omzwerving weer bij de Universiteit terecht gekomen. Eerst in los-vaste baantjes, en toen als promovenda. Ik vond vanaf het begin onderwijs geven erg boeiend, leuk, en zinvol (en nog steeds). Ik ben dan ook (pas) op gepromoveerd toen ik eind 30 was, maar daarna snel doorgegroeid tot hoogleraar. Het is eerder zo dat de wetenschap mij heeft gekozen: mijn eerste klus (een hoofdstuk schrijven voor een boek) werd verleng (en werd: co-auteur van het hele boek),
wat doorliep in ‘ wil je onderwijs geven’ (ja), wat werd verlengd en wat uitmondde in ‘zou je willen promoveren’?
Welk aspect van je functie spreekt je het meest aan?
De ontzettende veelzijdigheid van mijn werk. Ik heb, voordat ik als Kroonlid werd benoemd, ook steeds andere maatschappelijke rollen gespeeld, naast het hoogleraarschap. Maar ook binnen de universiteit heb ik verschillende rollen. Dat betekent dat ik steeds nieuwe mensen tegenkom: dat begint al bij de studenten, met
wie je als docent een tijdje meeloopt, en die elk hun eigen verhaal hebben. Maar ook collega’s uit alle delen van
de wereld, met veel verschillende disciplinaire achtergronden en met soms geweldig inspirerende ideeën. En in een continue verbinding met wat er buiten de academie gebeurt: met de rechtspraktijk, maar ook met maatschappelijke organisaties. Dat ik met dat alles bijdraag - of althans: probeer bij te dragen - aan een betere wereld - althans: een klein stukje daarvan - geeft elke dag weer opnieuw energie.
Kun je iets vertellen over de leukste case/dossier die je in het laatste jaar hebt gedaan?
Het afgelopen jaar behandelde de ACM (de mededingingstoezichthouder) de voorgenomen fusie tussen DGP en RTL. Dat zijn twee grote media bedrijven op de Nederlandstalige markt. De kernvraag in de beoordeling van een fusie is of de fusie leidt tot marktmacht. In dit geval waren er ook vragen over of de fusie zou leiden tot ‘ opiniemacht’, maar ook over de vraag of dat door de ACM in beschouwing kon worden genomen in de beoordeling. Mijn collega Malgorzata Kozak en ik werden door de ACM gevraagd om hen hierover te adviseren. Deze praktisch zeer relevante vraag paste precies op datgene wat we de afgelopen jaren hadden onderzocht in mijn ERC projectgroep. Het kernidee voor dat project (‘wat is macht’ ) had ik in 2020 naar voren gebracht, als een - toen nog - zeer abstract lijkende vraag. Ik had altijd de verwachting dat waar het project over ging ook
zeer grote relevantie voor de praktijk zou (kunnen) hebben, en in deze adviesvraag kwam dat samen. Voor een jurist-wetenschapper is het erg bevredigend om te zien dat toch vrij abstracte en wetenschappelijk complexe concepten van directe relevantie kunnen zijn.
Wat was de belangrijkste les die je hebt meegekregen van je leermeester?
Ik heb verschillende geweldige mentoren gehad. In de advocatuur was dat mijn patroon, van wie ik naast scherpe juridische professionaliteit ook allerlei sociale skills leerde voor een omgeving die ik niet van huis uit kende. Bij de rechtbank waren dat twee rechters: een die me uitdaagde altijd breder te kijken dan het huidige recht (hoewel dat lang niet altijd terecht kon komen in een uitspraak), en een ander van wie ik de waarde leerde van zeer zorgvuldig formuleren en het wegen van woordgebruik. Mijn promotoren lieten me uiteenlopende stijlen zien
van het bedrijven van wetenschap. Dit waren allemaal mannen. Mijn eerste vrouwelijke leidinggevende hoogleraar bood een veel bredere blik op het hoogleraarschap en het vormgeven van een carrière. Vervolgens heb ik in elk van de bestuurlijke rollen die ik (heb) bekleed prettige gesprekspartners: collega-bestuurders die het
vertrouwen uitspraken in mijn beslis- en bestuursvermogens; voorzitters en presidenten van maatschappelijke organisaties die door hun eigen steeds zich verruimende blik ook mij mijn blik steeds doen verruimen. En van ontzettende veel mensen - inclusief studenten - is er de niet aflatende nieuwsgierigheid, leergierigheid, bevragende houding en de bereidheid de wereld ten goede te veranderen die steeds maar adembenemend blijft.