prof. mr. Yael Diamant
senior legal counsel De Nederlandse Bank, hoogleraar Tilburg University
Yael Diamant is hoogleraar Financiële netwerken en Europees goederenrecht bij het Department of Private, Business & Labour Law van Tilburg University. Daarnaast is zij werkzaam als senior legal counsel bij De Nederlandsche Bank NV. Eerder werkte zij als advocaat bij NautaDutilh N.V. en promoveerde zij op een rechtsvergelijkend proefschrift over de financiëlezekerheidsovereenkomst onder begeleiding van prof. mr. Reinout Wibier en prof. mr. Vanessa Mak. Haar onderzoek richt zich primair op het snijvlak van het goederenrecht en financiële recht. Enkele voorbeelden van onderwerpen op dit snijvlak zijn de juridische aspecten van de digitale euro, van cryptovaluta’s en het zekerstellen van klantgelden door financiële ondernemingen. Met dit onderzoek wil zij zowel een brug slaan tussen het goederenrecht en het financiële toezichtrecht, als tussen wetenschap en praktijk.
Wat heeft AI al veranderd aan je werk als advocaat/wetenschapper?
Bij bepaalde werkzaamheden biedt AI geweldige ondersteuning. Ik vraag AI bijvoorbeeld om voetnoten te maken
door een hyperlink op te geven naar een rapport en het verzoek om hiervan een voetnoot te maken. Ook voor
vertalingen naar het Engels kan AI vaak een goede eerste voorzet doen. Voor de kern van mijn werkzaamheden -
juridische advisering, het schrijven van wetenschappelijke artikelen en het geven van onderwijs - zet ik AI veel
minder vaak in. Ik vind de kwaliteit van de output niet altijd goed genoeg en hoe AI tot de output komt blijft een
black box. Belangrijk voor mij is ook dat ik er voldoening uit haal om mij in een bepaald onderwerp te verdiepen
en dan zelf een mooi advies of artikel te schrijven – dat wil ik (nog) niet uit handen geven aan AI.
Maak je je zorgen over AI in de juridische praktijk? Waarom wel of niet?
Nee, zorgen over AI in de juridische praktijk maak ik mij niet. Ik denk dat AI goede ondersteuning kan bieden
aan juristen en dat het daar ook ingezet moet worden. Ik denk ook niet dat juristen overbodig worden: de output van AI zal immers altijd op juistheid gecheckt moeten worden door juristen met kennis van zaken. Dat betekent dat we goede juristen moeten blijven opleiden. Waar we wél voor moeten waken in mijn ogen is de gedachte dat AI goed opgeleide juristen overbodig maakt. Goed juridisch onderwijs, waarbij studenten de kern en context van
juridische leerstukken wordt geleerd, maar waar hen ook wordt gevraagd om kritisch na te denken en creatief te
zijn, blijft onverminderd relevant.
Wat verwacht je dat AI de komende vijf jaar gaat veranderen aan het recht?
Het recht reageert op ontwikkelingen als digitalisering en AI. Daardoor loopt de wet- en regelgeving op dat soort terreinen onvermijdelijk achter die ontwikkelingen aan. Op Europees niveau moet de AIverordening ervoor zorgen dat AIsystemen die organisaties binnen de EU gebruiken, veilig zijn en fundamentale rechten respecteren.
Enerzijds wordt AI dus al gereguleerd, maar er blijven ook genoeg vragen onbeantwoord, zoals de vraag of een
door AI gegenereerde afbeelding auteursrechtelijk beschermd is.
Hoe ziet een gemiddelde werkdag eruit?
Mijn werkdagen hebben gemeen dat ik steeds bezig ben met juridische vragen die vaak meerdere rechtsgebieden raken, zoals goederenrecht, overeenkomstenrecht, financieel recht en regelgeving voor centrale banken, maar
“gemiddelde werkdagen” heb ik niet. De ene dag geef ik college over vermogensscheiding en de trust aan masterstudenten privaatrecht in Tilburg en een andere dag ben ik in het prachtig gerenoveerde pand van De Nederlandsche Bank op het Frederiksplein en beoordeel ik een financieel contract. Een aantrekkelijk aspect van mijn werk als legal counsel bij DNB is dat het steeds een verrassing is welke vraag er de volgende dag op je bord ligt. Er komt een enorme verscheidenheid aan vragen voorbij. Van vragen over het depositogarantiestelsel tot een telefoontje van een collega die aangeeft dat een leverancier failliet is gegaan en vraagt wat DNB nu moet doen. Die afwisseling in werkzaamheden en omgevingen is enorm inspirerend.
Heb je bewust voor een carrière in de wetenschap/advocatuur gekozen?
Ik heb er bewust voor gekozen om te promoveren en daarna de advocatuur in te gaan. Toen ik studeerde, vond
ik het heerlijk om dagen in de bibliotheek te zitten, omringd door boeken, en me helemaal onder te dompelen in een onderwerp. Ik wist daarom al tijdens mijn studie dat ik promoveren leuk zou vinden. Maar ik wist ook dat ik de praktijk in wilde, om te zien hoe het recht wordt toegepast. Tijdens mijn promotieonderzoek over de financiëlezekerheidsovereenkomst kon ik zes weken bij NautaDutilh stage lopen om te kijken welke vragen in de praktijk leefden over dat onderwerp. Dat beviel ontzettend goed en na mijn promotie ben ik daar gestart als advocaatstagiaire.
Je hebt een gezin. Hoe is het gesteld met jouw work/life balance?
Tijd is op dit moment schaars, maar toch ervaar ik een goede work/life balance. Ik denk dat dat twee redenen heeft: ik doe mijn werk altijd met veel plezier en ik heb er niet veel moeite mee als privé en werk vloeiend in elkaar overgaan. Vaak ga ik op tijd naar huis om met z’n allen te eten en de kinderen op bed te leggen en dan werk ik daarna nog een paar uurtjes. Als ik er verder over nadenk, denk ik dat in mijn geval het gezin op een bepaalde manier juist ook aan een goede work/life balance bijdraagt. Het is een hele intensieve periode met jonge kinderen, maar door mijn kinderen kan ik ook beter relativeren.
Welk moment uit je carrière heeft de meeste indruk op je gemaakt?
De verdediging van mijn proefschrift was een belangrijke mijlpaal. Ik was aanvankelijk heel zenuwachtig, maar
heb tijdens de verdediging volop genoten. Doordat je je jarenlang hebt vastgebeten in één onderwerp zit je
heel goed in de stof. De gedachteuitwisseling met hoogleraren bleek de kers op de taart te zijn. Een ander
hoogtepunt was mijn oratie in juni 2024. Bij de benoeming als hoogleraar zijn je ideeën als wetenschapper verder ontwikkeld dan als promovendus en de oratie geeft je een podium om die te presenteren aan het publiek. Heel bijzonder aan een oratie is dat iedereen die jou dierbaar is, aanwezig is. Niet alleen collega’s, maar ook vrienden en familie luisteren naar jouw inaugurele rede. Dat geeft zo’n dag extra elan.
Staat er nog iets op je carrière bucketlist?
Een carrière-bucketlist heb ik nooit gehad. Wel heb ik altijd in de praktijk willen werken. Op dit moment ben ik
heel tevreden met de combinatie van legal counsel bij DNB en hoogleraar aan Tilburg University. Vanuit DNB
kan ik mijn praktische ervaring meenemen, zowel in het onderwijsals het onderzoek. Op de universiteit kan ik dieper in juridische vragen duiken, wat weer toegevoegde waarde heeft voor mijn werk bij DNB. Een hele mooie combinatie dus.
Welk aspect van je functie spreekt je het meest aan?
Een aspect dat mij bijzonder aanspreekt is het publiceren. Dat is een belangrijk onderdeel van mijn werkzaamheden in Tilburg, maar ook DNB hecht aan wetenschappelijke publicaties. Dat past ook bij de kennisinstelling die DNB is. Door te publiceren groei je zelf op professioneel gebied en het helpt de rechtspraktijk vooruit. Bovendien zorgen publicaties voor verschillende visies en perspectieven, of bevatten ze signalen die de wetgever kan oppakken. Publicaties kunnen dus belangrijk zijn om een bredere discussie op gang te brengen.
Wat voor eigenschappen zijn belangrijk om succesvol te zijn binnen jouw rechtsgebied?
Voor het publiceren en onderwijs op het terrein van het goederenrecht is het een voordeel om gestructureerd te
zijn. Studenten ervaren goederenrecht vaak als een lastig vak. Ik kan me voorstellen dat ze het abstract vinden
in vergelijking met bijvoorbeeld huurrecht of arbeidsrecht, rechtsgebieden waar je ook zelf mee in aanraking kan komen. Als je een vak lastig vindt, helpt het als de docent je meeneemt in de stof en structuur aanbrengt. Mijn kracht ligt in het aanbrengen van die structuur en het geven van een goed overzicht van de stof.
Welk artikel uit de wet zou je willen aanpassen en waarom?
Wat mij betreft kan artikel 3:83 lid 5 BW geschrapt worden. Dat artikel bepaalt dat alle andere rechten dan eigendom, beperkte rechten en vermogensrechten alleen overdraagbaar zijn als de wet dat bepaalt. Het zou mijns inziens veel logischer zijn, en dat hebben gezaghebbende juristen voor mij al bepleit, dat de hoofdregel is
dat alle goederen overdraagbaar zijn, tenzij de wet anders bepaalt. Dat voorkomt dat aan de ene kant door het recht vermogensrechten worden aanvaard, maar die aan de andere kant niet te gelde kunnen worden gemaakt.
Als artikel 3:83 lid 5 BW geschrapt wordt, wordt dit doel bereikt.
Welk arrest heeft bij jou de meeste impact (juridisch) gehad?
Een van mijn favoriete onderwerpen is vermogensscheiding. Een belangrijk arrest op dit gebied is het ProCall-arrest. Het ging in die zaak over incassodienstverlener Procall, die facturen inde voor behandelingen die door het
Beatrixziekenhuis waren uitgevoerd. De patiënten betaalden op een bankrekening op naam van ProCall, maar met de toevoeging ‘inzake Beatrixziekenhuis’. Op die rekening stonden uitsluitend gelden die zouden moeten worden doorbetaald aan het Beatrixziekenhuis. Toen ging ProCall failliet. De vraag was of de geïnde bedragen van ProCall waren of van het ziekenhuis. De Hoge Raad kwam tot het oordeel dat de gelden van ProCall waren. Dit is een heel principieel arrest dat de kern van het Nederlandse vermogensrecht raakt. Tegelijkertijd wordt de uitkomst als onrechtvaardig gezien. Dat is een interessant spanningsveld.
Wie vind jij inspirerend in jouw vakgebied of praktijk?
Ik houd van verhalenvertellers. Sommige hoogleraren kunnen van colleges een spannend vertelling maken. Prof. Willem Zwalve, emeritus hoogleraar Romeins recht in Leiden, en zijn opvolger prof. Egbert Koops zijn daar meesters in. Reinout Wibier, hoogleraar goederenrecht in Tilburg, is ook zo’n jurist die heel gepassioneerd en overtuigend over zijn vakgebied kan vertellen. Dat vind ik inspirerend.
Wat motiveert je het meest in je werk als jurist/wetenschapper?
Het spreekt mij enorm aan om bezig te zijn met verschillende rechtsgebieden. Ik richt mij in het onderzoek vooral op het snijvlak tussen het goederenrecht en het financiële recht. Het financiële recht is grotendeels van Europese oorsprong en ontwikkelt zich al jaren in een razend tempo. Het goederenrecht is nationaal georiënteerd en is een
relatief rustig bezit. Op het grensvlak van die twee rechtsgebieden liggen interessante uitdagingen. Kort geleden is bijvoorbeeld een Europese verordening in werking getreden waarin staat dat aanbieders van cryptoactivadiensten de cryptoactiva die zij houden voor cliënten juridisch moeten scheiden van hun eigen vermogen. Die verordening is in Nederland direct van toepassing, maar in de verordening staat niet hoe uitvoering moet worden gegeven aan het scheiden van vermogen. Het goederenrecht en financiële recht komen op dat punt samen en de vraag is dan hoe je in de praktijk met zulk soort situaties moet omgaan.