De klachtplicht past niet bij bestuurders­aansprakelijkheid

mr. dr. Hendrik Wammes | raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gastdocent burgerlijk recht Radboud Universiteit, lid geschillencommissie Kifid

De klachtplicht past niet bij bestuurders­aansprakelijkheid

Hoge Raad 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:681

De op grond van artikel 2:9 BW aangesproken bestuurder kan de rechtspersoon niet knockout slaan met een beroep op artikel 6:89 BW. Dit artikel-een reus op lemen voeten[1] - is niet
van toepassing in de verhouding bestuurder-rechtspersoon.

In HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:681 is beslist dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat een bestuurder die wordt aangesproken op grond van artikel 2:19 BW niet het verweer uit artikel 6:89 BW kan voeren dat de vennootschap niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd[2]. Met dit mooie arrest maakt de Hoge Raad een einde aan een lange discussie in de literatuur en de wisselende uitspraken in de rechtspraak[3]. De praktische betekenis van deze principiële uitspraak lijkt mij beperkt. Artikel 6:89 BW is eerder door de Hoge Raad gekwalificeerd als een bijzondere vorm van rechtsverwerking[4]. Ook bij deze bijzondere vorm van rechtsverwerking is enkel tijdverloop niet voldoende waardoor het materiele verschil met de algemene rechtsverwerking zeer gering lijkt[5]. Wellicht zit het verschil in het rechtsgevolg: artikel 6:89 BW is een vervalbeding en resulteert in het verval van alle aanspraken terwijl de algemene rechtsverwerking ruimte geeft voor een genuanceerder resultaat.

De beslissing van de Hoge Raad steunt overtuigend op een dogmatische en een praktische grondslag. Dogmatisch omdat door de benoeming van een bestuurder er tussen de rechtspersoon en de bestuurder een rechtspersonenrechtelijke rechtsverhouding ontstaat. Dit is geen verbintenis zoals bedoeld in Boek 6. Terug naar de basis, de opzet van het Burgerlijk Wetboek! Boek 2 hoort
tot het Personenrecht (Boeken 1 en 2) en artikel 6:89 BW tot het Vermogensrecht (Boek 3 en volgende). Artikel 6:89 BW ziet op verbintenissen in het vermogensrecht en er ontbreekt een schakelbepaling voor toepassing buiten het vermogensrecht. Praktisch omdat van de bestuurder niet kan worden verlangd dat hij namens de rechtspersoon over zijn eigen onbehoorlijk handelen klaagt.

De uitkomst is niet verrassend. Kroeze was de voorzitter van de combinatie en in 2015 schreef hij: “Van de klachtplicht van art. 6:89 BW bij toepassing van art. 2.9 BW wordt niemand vrolijk”.[6] 

[1] Deze kwalificatie gebruikt plv. PG Wissink is zijn conclusie voor ECLI:NL:HR:2024:1281 gezien de beperkte aandacht die deze draconische bepaling tijdens de parlementaire behandeling heeft gekregen. Anders geformuleerd: is er wel goed over nagedacht?

[2] Zie de annotaties in AA 2024/763 en JOR 224/218.

[3] Zie hiervoor in het bijzonder de annotatie van Bartman genoemd in noot 2.

[4] ECLI:NL:HR:2014:3593.

[5] ECLI:NL:HR:2024:24.

[6] RM Themis 2015-5

Home Live On Demand Mijlpaalarresten Podcasts Blogs Zoeken