em. prof. mr. Paul Vlaardingerbroek
raadsheer plaatsvervanger Gerechtshof Den Haag, Emeritus hoogleraar familie- en jeugdrecht Tilburg University
Hoge Raad 30 maart 2018; ECLI:NL:HR:2018:463
In deze uitspraak geeft de Hoge Raad antwoord op een aantal prejudiciële vragen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2017:4271) over het zijn van belanghebbende in een procedure tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de beide ouders, waarbij de vader in hoger beroep is gekomen tegen de beëindiging van zijn gezag, terwijl de moeder daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld.
De Hoge Raad heeft hierin geoordeeld dat een rechterlijke beslissing ex art. 1:266 BW tot beëindiging van het door de ouders gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben, onmiskenbaar een inmenging vormt in het gezinsleven van de vader, de moeder en het kind als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM. Een zaak die tot een dergelijke beslissing kan leiden, raakt dan ook ‘rechtstreeks’ het recht op gezinsleven van elk van beide
ouders in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv, in verbinding met art. 8 lid 1 EVRM. Dat brengt mee dat elk van beide ouders in het kader van die zaak moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv.
In deze casus heeft het gerechtshof een viertal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld over
het begrip ‘belanghebbende’. De Hoge Raad heeft deze vragen helder en concreet beantwoord en de lijnen scherp getrokken. Het is echter slechts één van de vele rechterlijke uitspraken over het begrip “belanghebbende” in art. 798 lid 1 Rv. Deze uitspraak is voor de rechtspositie van ouders van groot belang, omdat een gezagsbeëindiging een grote inbreuk vormt op de desbetreffende ouders en hun kind(eren), alsmede hun familie.
Als belanghebbende wordt in het personen- en familierecht in het algemeen verstaan degene op wiens rechten plichten de zaak rechtstreeks betrekking heeft, zoals art. 798 Rv dat formuleert. Naast het begrip ‘belanghebbende‘ kent het familieprocesrecht ook het begrip ‘informant’. Het zijn van belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv is voor de procesrechtelijke positie van een persoon van groot belang. Immers, een belanghebbende ex art. 798 Rv heeft recht op de processtukken, hij of zij mag een verweerschrift indienen, heeft recht op rechtsbijstand van een advocaat, recht om het woord te voeren in de rechtszaal en het recht van hoger beroep.
Een informant kan door het gerecht worden opgeroepen om op de terechtzitting te verschijnen, indien diens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn (vgl. art. 800 lid 2 Rv), maar het enige recht dat een informant heeft is om het woord te mogen voeren als de rechter hem of haar daarom verzoekt. Andere processuele rechten heeft de informant niet.
Vanwege de sterke processuele rechtspositie van de belanghebbende in het familieprocesrecht kan een betrokkene bij een familierechtelijk geschil of verzoek er groot belang bij hebben om door de rechter als ‘belanghebbende’ te worden gezien. Uiteraard zet dat ook de gerechtelijke procedure onder druk, want dat betekent dat de belanghebbende met zijn of haar advocaat een sterke rechtspositie heeft en een belangrijk rol vervult in de procedure. Tegelijkertijd betekent dit ook dat de gerechtelijke procedure meer tijd en geld kost, hetgeen als een nadeel kan worden gezien, maar dat is nu eenmaal “all in the game” nu gekozen is voor de sterkere rechtspositie van de belanghebbende.
In casu stond de (in 2003 geboren) zoon van de gescheiden ouders sinds 2009 onder toezicht van de gecertificeerde instelling. Deze ondertoezichtstelling was jaarlijks verlengd; laatstelijk tot en met 11 februari 2017. De zoon was sinds oktober 2013 uit huis geplaatst en verbleef vanaf maart 2014 in een woongroep. Omdat de aanvaardbare termijn van art. 1:266 lid 1 BW inmiddels was verstreken, heeft de rechtbank het gezamenlijk ouderlijk gezag van de ouders beëindigd en de GI
benoemd als voogdes over de zoon. Hiertegen is de vader in hoger beroep gegaan. De griffier van het gerechtshof heeft dit aan de moeder laten weten en haar in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift en eventueel een incidenteel hoger beroep in te stellen. Tevens werd zij als belanghebbende uitgenodigd voor de terechtzitting. De gecertificeerde instelling (voogdes), die als
belanghebbende werd aangemerkt, verzocht het hof om de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Op de eerste prejudiciële vraag van het hof antwoordt de Hoge Raad (in row. 3.7.5) dan ook het antwoord op de eerste prejudiciële vraag dat in de procedure in hoger
beroep tegen een beschikking waarbij op de voet van art. 1:266 BW het ouderlijk gezag van elk van beide ouders over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben, is beëindigd, maar waarbij de grieven van de appellerende ouder slechts zijn dan wel haar eigen gezag betreffen, de
andere ouder belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv in verbinding met art. 806 lid 1 Rv.
Verder oordeelde de Hoge Raad in deze zaak dat elk van de ouders hoger beroep kan instellen tegen een gezagswijziging.
“ Bespreek goed met uw client wie als belanghebbende(n) in de procedure moet(en) worden betrokken en zo ja, waarom. Het moet daarbij gaan om personen op wier rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft (vgl. artikel 798 Rv.) Baseer uw standpunt dat de persoon als belanghebbende dient te worden aangemerkt tevens op art. 8 EVRM ! Vindt u dat iemand niet als belanghebbende, maar slechts als informant (of als een willekeurige derde) moet worden
aangemerkt motiveer dat dan zo goed mogelijk en onderbouw uw standpunt met jurisprudentie,
wetgeving en verdragsrecht. ”