Kerstgeschenk van de Hoge Raad op 23 december 2016

mr. Herman van der Meer | senior raadsheer Gerechtshof Amsterdam

Kerstgeschenk van de Hoge Raad op 23 december 2016

Met deze beschikking, de belangrijkste in de Wwz-geschiedenis, maakte de Hoge Raad een einde aan dé anomalie (of moet ik zeggen: aberratie?) binnen het ontslagrecht: het ontbreken van bewijsrecht in ontslagzaken. Niet langer wordt het aan de rechter overgelaten of deze het bewijsrecht al dan niet toepast: de rechter móet voortaan in alle ontslagzaken het bewijsrecht toepassen. De hoogste rechter corrigeert hier de Wwz-wetgever op niet mis te verstane wijze….

Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Mediant)

De voorgeschiedenis
Vóór de invoering van de Wwz (het nieuwe ontslagrecht, per 1-7-2015) was in de belangrijkste ontslagprocedure (ontbinding) het bewijsrecht niet van toepassing. Dit vloeide voort uit de nog uit 1907 stammende wetssystematiek: de ontbinding als ‘nooduitgang’, gericht op een spoedige billijkheidsbeslissing, geen ‘beslechting’ van een
rechtsstrijd.[1]

Omdat de ontbindingsprocedure (kwantitatief de belangrijkste) in de Wwz werd ‘samengevoegd’ met de overige ontslagprocedures (v/h dagvaardingsprocedures) kwam in de wetsgeschiedenis de vraag op of dat bewijsrecht wel of niet op die nieuwe procedure van toepassing zou zijn. Hierover de minister: “Het wordt aan de rechter overgelaten of bewijsrecht van toepassing is (…) hetgeen zal afhangen van factoren als het al dan niet spoedeisende karakter van het voorgelegde geschil alsmede de complexiteit van
de zaak.” [2]

De praktijk na invoering van de Wwz
Na invoering van de Wwz gingen sommige kantonrechters met dit citaat uit de wetsgeschiedenis ‘aan de haal’ door het bewijsrecht helemaal niet meer toe te passen, ook niet na ontslag op staande voet. Gevoegd bij andere ‘uitwassen’, zoals het voorwaardelijk ontbinden door de kantonrechter voor het geval het hof anders over de ontslagzaak mocht beslissen, was er in de eerste 1,5 jaar na invoering van de Wwz grote rechtsonzekerheid en -ongelijkheid ontstaan.

De Hoge Raad schept helderheid
In deze periode van procesrechtelijke chaos was het wachten op het oordeel van de Hoge Raad. Dit kwam in de vorm van een beschikking op prejudiciële vragen. Voor de Hoge Raad waren deze vragen reden om eens flink ‘uit te pakken’ in de hier besproken beschikking.

De Hoge Raad maakt kordaat een einde aan enkele mis(ver-)standen:
A. Voortaan is in alle ontslagzaken het bewijsrecht van toepassing: de aard van de zaak verzet zich daar niet (meer) tegen (vgl. art. 284 Rv.).
B. De kantonrechter mag niet meer ontbinden onder een voorwaarde die verwijst naar een
(andersluidende) beslissing van het hof.
C. De kantonrechter moet de beslissingen over ontslag op staande voet en ontbinding bij elkaar houden (gelijktijdig beslissen).

De Hoge Raad motiveert zijn oordeel o.m. met een verwijzing naar innerlijke tegenstrijdigheid in de door de regering gegeven motivering, om welke reden ‘aan de wetsgeschiedenis dus slechts een beperkte betekenis toekomt’. Opmerkelijk is hier wel dat de Hoge Raad eerder dat jaar had beslist dat aan uitlatingen van de regering over de
toepassing van een al ingevoerd wetsartikel (zoals hier: art. 284 Rv.) “geen bijzondere betekenis toekomt”, omdat die uitlatingen nu eenmaal niets toevoegen aan de al eerder afgesloten wetsgeschiedenis van dat artikel. Die argumentatie was hier zeker toepasbaar geweest.

De betekenis in de praktijk
Wie de Wwz-jurisprudentie van de Hoge Raad volgt heeft kunnen zien dat die in veel gevallen betrekking heeft op de toepassing van het bewijsrecht in ontslagzaken. In veel lagere jurisprudentie zie je rechters ‘worstelen’ met de toepasselijkheid van het bewijsrecht, maar helaas zie je ook nog veel uitspraken waarin elke verwijzing naar het bewijsrecht ontbreekt. Waar het bewijsrecht wel (goed) wordt toegepast is die toepassing een ‘gamechanger’ ten opzichte van het oude ontslagrecht gebleken. Dankzij de besproken
beschikking van de Hoge Raad.


[1] Weliswaar had de HR in 1999 al in algemene zin beslist dat het bewijsrecht voortaan in verzoekschriftprocedures zou gelden, tenzij de aard van de procedure zich daar tegen verzette, maar in 2000 werd duidelijk dat dit niet zou gelden voor de toenmalige ontbindingsprocedure. Zie NJ 99,694 en 01,302.

[2] Een dogmatisch nogal wonderlijke gedachte: bewijsrecht als onderwerp van rechterlijke attributie in plaats van een recht van partijen om bewijs te mogen leveren van hun cruciale stellingen. Ik schreef reeds in waarschuwende zin over deze problematiek in: Arbeidsprocesrecht, Wolters Kluwer 1995, pag. 87-98.

Home Live On Demand Mijlpaalarresten Podcasts Blogs Zoeken