prof. mr. Bas Steins Bisschop
adviseur UdinkSchepel Advocaten, bijzonder hoogleraar Corporate Law and Corporate Governance De Nyenrode Business Universiteit
Gerechtshof Den Haag 12 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2099
Milieudefensie eist dat Shell haar CO2-emissies in 2030 met 45% te vermindert. Die vordering wordt door de rechtbank toegewezen en strandt in hoger beroep.
Het hof stelt als onbetwistbaar vast dat sprake is van toenemend gebruik van fossiele brandstoffen voor energieopwekking en daardoor van uitstoot van broeikasgas (CO2). Dat veroorzaakt verwarming van de aarde en is de verklaring voor de evidente klimaatverandering. De grote oliemaatschappijen veroorzaken zijn de belangrijkste uitstoters van broeikasgas door directe, indirecte en overige emissies (scopes). De discussie over de klimaatcrisis is daarmee ingekaderd.
Ook stelt het hof vast dat tal van nationale, internationale en overige reguleringen reductie van bedreigende effecten van klimaatveranderingen voorschrijven, maar in onvoldoende mate leiden tot het feitelijk gewenste niveau. De inventarisering van de mondiale regulering heeft betrekking op formele en informele regulering ter bescherming van burgers en op regulering door verdragen (resp. horizontale en verticale werking). In een tussenzin (3.12) constateert het hof dat de uitstoot in Nederland “relatief hoog” is en leidt tot milieurampen en gezondheidsdreigingen. Het hof verwijst naar de in het Urgenda-arrest vervatte (verticale) overheidsverplichting ‘het zijne’ te doen om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen.
Het hof geeft een zeer uitgebreide samenvatting van de energiestrategie van Shell zonder een oordeel te geven over de effectiviteit van die strategie. Het hof stelt wel vast dát die strategie “dient bij te dragen aan het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering” (7.96) en dat het niet voldoende bieden van bescherming in horizontale en verticale zin onrechtmatig is. De slotsom is echter dat Shell weliswaar directe en indirecte milieuverplichtingen heeft maar dat de eis tot vaststelling van de gevorderde specifieke norm (productiereductie tot een te bepalen percentage) die daarbij in acht genomen moet worden, niet toewijsbaar is.
In vele reacties en commentaren op dit arrest wordt de zaak gezien als winst voor Shell en verlies voor Milieudefensie. Ook in die laatste hoek werd teleurstelling geventileerd. Dat lijkt me onjuist. Het gaat om een zeer
uitvoerig en diepgaand betoog dat ten grondslag is gelegd aan het arrest dat ik overigens in deze ruimte (te) beperkt mocht bespreken. Ik hoop toch enige essentiële punten duidelijk te hebben gemaakt.
De discussie over de vraag of grote ondernemingen daadwerkelijk grote maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen, is positief beantwoord. Het begrip “goed ondernemingsbestuur” is daardoor verder geconcretiseerd. Het arrest draagt bij aan noodzakelijk inzicht in de rechten en verplichtingen van bestuurders, commissarissen, werknemers en tal van andere belanghebbenden. Shell heeft niet ‘gewonnen’ en Milieudefensie heeft niet verloren. De ‘winst’ voor Shell is dat de strategie waar nodig niet alleen nader kan worden bijgesteld maar ook dat aanvullend verweer bestaat tegen de druk van onwenselijk aandeelhoudersactivisme. De ‘winst’ voor Milieudefensie is dat opnieuw is vastgesteld dat en in hoeverre grote ondernemingen, maar ook meer in het algemeen het bedrijfsleven, maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen. De zaak werd in eerste instantie voor Shell bepleit door De Brauw en in hoger beroep door Clifford Chance. In het arrest is geen enkele aanleiding te vinden dat hiermee een Angelsaksische wind is gaan waaien.
Er zijn verschillende lessen te leren uit dit arrest. Zo is het verhelderend dat het begrip ‘onrechtmatig’ ook het schenden van publiekrechtelijke (verticale) verdragen en andere regulering omvat. In horizontale verhoudingen tussen burgers en ondernemingen is een aanvullende norm aangehaald. Dat heeft ook betekenis voor de interpretatie van de Trias-leer; in deze zaak is de rechter niet ‘op de stoel’ van de wetgever gaan zitten. Milieudefensie acteerde als belangrijkste woordvoerder van een aantal belanghebbenden in een massaschade
vordering (3:305a BW). Deze toegewezen mogelijkheid en de toepassing van Nederlands recht vormen belangrijke signalen waarmee in de discussies over maatschappelijk verantwoord onderneming en goed ondernemingsbestuur rekening gehouden moet worde.
Het arrest is een krachtige stimulans om na te denken over hoe een procedure moet of kan worden ingericht in een zo ingewikkelde feitelijke en politiek beladen zaak speelt. Was de insteek van Milieudefensie niet te specifiek
door de concentratie op de vaststelling van een concrete norm van 45%? Het primaire doel leek niet zozeer gericht op zo'n concreet percentage, maar op de vaststelling dat Shell, en wellicht ook de oliemaatschappijen en grote ondernemingen als zodanig, omschreven verplichtingen hebben in het kader van behoorlijk ondernemingsbestuur. Die gedachte past in het norm doel van art. 3:305a BW.
Als de Nederlandse rechter Shell als internationaal concern beperkende verplichtingen oplegt, en als dit leidt tot voortzetting van activiteiten die Shell niet, maar haar concurrenten wel, uitoefenen en deels overnemen van Shell, ontstaat per saldo een situatie dat de dreigende gevaarlijke en schadelijke klimaatveranderingen zullen toenemen in plaats van afnemen. De benadering van het hof lijkt te zijn dat Shell een ‘eigen verplichting’ heeft.
Volgens mij is dat geen volledig antwoord ter oplossing van een dergelijk dilemma.
In deze tijd van toenemende polariserende opvattingen in brede en mondiale maatschappelijke verhoudingen
zal sprake zijn van toegenomen nadruk op juridische conflictoplossing. Daarbij geldt veel radicale onzekerheid. Het arrest van hof verkleint die onzekerheid enigszins. Wellicht dat het arrest, of het in cassatieberoep in stand blijft of niet, een bijdrage tot verkleining van die onzekerheid kan leiden, bijvoorbeeld in de aangekondigde vervolgactie tot leveringsverbod van F-35 onderdelen.