mr. drs. Jan Spanjaard
advocaat fL advocaten
Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2098 (Prorail/X)
Wie mij al langer kent weet ik dat ik naast een voorliefde voor het recht ook een liefde voor een wrang gevoel voor humor koester. De lach van het onverwachte met een klein beetje Schadenfreude is mij niet vreemd. Vooral de Wet van Murphy – geen recht in de zin van artikel 79 RO, maar daarom niet minder dwingend – is een bron van veel onheil. Immers, wat fout kan gaan, doet dat ook en op de meest onverwachte momenten. In het contractenrecht komt de Wet van Murphy nogal eens voor. Zo ook in het arrest dat in deze annotatie centraal staat.
In de kern gaat het arrest over het kwijtingsbeding in een vaststellingsovereenkomst tussen Prorail en ene X. In
de procedure stond een grondtransactie met betrekking tot de Betuweroute centraal. Door de aanleg van de Betuweroute dreigde een agrariër zijn pachtgronden kwijt te raken. Prorail verkoopt vervolgens cultuurgrond aan de agrariër voor een bedrag van € 248.671,55 en zegt toe de schade door het verlies van de pachtgrond te vergoeden tot een bedrag van € 276.710,29. De akte vermeldt onder meer dat partijen elkaar over en weer finale kwijting geven ten aanzien van de verplichtingen aangegaan bij de kavelruilovereenkomst en in de akt geconstateerd. Bij gelegenheid van levering wordt de schadevergoeding uitgekeerd aan de agrariër, maar kennelijk is over het hoofd gezien dat de agrariër de koopsom voor de grond nog niet had betaald. Na het verlijden van de akte schrijft Prorail de agrariër daarom aan met het verzoek om alsnog de koopsom voor de grond te betalen. De agrariër weigert met een beroep op de kwijtingsbepaling in de akte.
Kwijtingsbedingen komen in vele soorten en maten voor. In de eerste plaats kan worden gedacht aan het verschaffen van een kwitantie, een bewijs dat een betaling is gedaan (vgl. art. 6:48 BW).[1] Dat is in de regel niet wat partijen bij een vaststellingsovereenkomst redelijkerwijs beogen. Zij verkeren in onzekerheid over wat zij over en weer van elkaar te vorderen hebben en willen daar een ‘finaal’ einde aan maken. Daarom is een tweede betekenis van het kwijtingsbeding mogelijk: partijen doen over en weer ‘finaal’ afstand van een vorderingsrecht. Het afstand doen van een vordering kan, althans als dat berust op een overeenkomst. Als de schuldeiser hierin
van zijn vorderingsrecht afstand doet, dan gaat de verbintenis teniet, zo bepaalt art. 6:160 BW. Een in een
vaststellingsovereenkomst opgenomen kwijtingsbeding, waarbij partijen ter beëindiging of voorkoming van onzekerheid of geschil over en weer ‘finaal’ afstand doen van hun vorderingsrecht(en), zal dan ook vaak als een dergelijke afstand worden gezien en niet slechts als het verschaffen van een kwitantie waar tegenbewijs tegen
open staat.[2] Deze betekenis van een kwijtingsbeding dat in een vaststellingsovereenkomst is opgenomen zal partijen geregeld voor ogen staan.[3] Partijen moeten wel expliciet een kwijtingsbeding overeenkomen. De finale kwijting is geen impliciet onderdeel (of in het Engels: “implied term”) van de vaststellingsovereenkomst. Indien partijen (of de rechter) de overeenkomst als vaststellingsovereenkomst kwalificeert, wordt de finale kwijting dus niet automatisch aangenomen.[4] Integendeel, partijen kunnen ook afspreken dat geen finale kwijting wordt verleend, of dat het wél gaat om een louter bewijsrechtelijke kwitantie.[5]
In de zaak Prorail was duidelijk dat de tweede variant – kwijtschelding – was bedoeld. Alleen het tijdstip van de
kwijtschelding was wat beroerd gekozen. Gelukkig voor Prorail grijpt de Hoge Raad in:
“Vaststaat echter dat [verweerster 2] ten tijde van het opstellen van de akte de koopprijs voor de grond nog niet had voldaan, en dat partijen bij het verlenen van de kwijting niet hebben beoogd dat Prorail [verweerster 2] deze verplichting zou kwijtschelden. Voorts staat vast dat bij de totstandkoming van de akte en dus bij het verlenen
van de finale kwijting gezamenlijk uitgangspunt van partijen was dat deze verplichting daadwerkelijk was dan wel zou worden nagekomen en dat daarover geen onzekerheid of geschil bestond. Anders dan het hof heeft gedaan,
kan de kwijting dan ook niet aldus worden uitgelegd dat deze ook is verleend voor het zich hier voordoende geval dat de koopprijs abusievelijk niet is voldaan doordat zij niet in de afrekeningen is opgenomen en verwerkt.”[6]
Hier is mijns inziens geen speld tussen te krijgen en ik vind deze uitkomst zonder meer terecht. De agrariër heeft opportunistisch gegokt en verloren met zijn wat al te legistische lezing van de kwijtingsformule. Het heeft Prorail echter wel drie instanties gekost om uiteindelijk aan haar trekken te komen. Zij had zich onheil kunnen besparen door wat scherper op de kwijtingsformule te koersen. Mijn tip is dan ook op te nemen:
“Partijen verlenen elkaar na uitvoering van deze vaststellingsovereenkomst over en weer finale kwijting en hebben alsdan niets meer van elkaar te vorderen met betrekking tot het in deze vaststellingsovereenkomst omschreven geschil.”
Daarmee worden chicaneuze standpunten als van de agrariër in de kiem gesmoord.
[1] Vgl. voor deze mogelijkheid J.B.R. Regouw, Eens gekweten blijft gekweten, MvV 2018/11, p. 350 e.v; M.R. Ruygvoorn, De ene kwijting is de andere niet, Bb 2018/73, p. 268 e.v.
[2] Vgl. M.R. Ruygvoorn, De ene kwijting is de andere niet, Bb2018/73, p. 268
[3] Zie wel J.B.R. Regouw, Eens gekweten blijft gekweten, MvV 2018/11, p. 350, over situaties waarbij het niet ging om een afstand in de zin van art. 6:160 en veeleer een kwitantie wordt aangenomen, met name ook in andere overeenkomsten dan vaststellingsovereenkomsten.
[4] HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5915 (ACS/HTC), r.o. 3.4.4: “Het hof mocht verder betekenis hechten aan de omstandigheid dat een finale kwijting niet met zoveel woorden in de overeenkomst was opgenomen, en heeft alleszins begrijpelijk geoordeeld dat art. 11 van de overeenkomst niet strekte tot het verlenen van finale kwijting.”
[5] Zie bijvoorbeeld: HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:935, NJ 2018/279, JOR 2018/233 m.nt. C. Spierings (Citadel/Bela).
[6] HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2098 (Prorail/X), r.o. 3.3.2.